Klimaatverandering

Het klimaat in Nederland verandert en die ontwikkeling zal zich de komende decennia voortzetten: we krijgen zachtere winters, warmere voorjaren en de kans op weersextremen (hevige regenbuien, storm) neemt toe. Dit heeft natuurlijk grote gevolgen voor vogels.

Er kunnen problemen ontstaan als de timing van broeden verandert ten opzichte van de piek in voedselbeschikbaarheid.

Sovon levert een bijdrage aan het klimaatonderzoek door gegevens over aantallen, verspreiding, reproductie en fenologie van vogelsoorten te verzamelen en te analyseren, veelal in samenwerking met andere onderzoeksinstituten.

Fenologie en trekpatronen

Veel soorten zomervogels blijken tegenwoordig eerder in ons land te arriveren dan enkele tientallen jaren geleden. De mate van vervroeging varieert van enkele dagen tot enkele weken. Zo werden de eerste Boerenzwaluwen in de jaren zeventig in de laatste dagen van maart en de eerste van april gemeld, tegenwoordig echter half maart: twee weken eerder.

Vervroegde datum eerste eileg

Gemiddeld genomen zijn de winters zachter geworden en de voorjaren warmer. Dat leidt ertoe dat bomen eerder uitlopen en insecten eerder actief worden. Voor broedvogels is het van levensbelang om hierop in te spelen. Dat doen veel soorten ook: gegevens van het Nestkaartenproject van Sovon laten zien dat de gemiddelde start van de eerste eileg van 45 vogelsoorten tussen 1985 en 2005 verschoven is van 11 mei naar 4 mei.

Veranderende trekpatronen

Ook doortrekkers en wintergasten hebben te maken met klimaatverandering bij ons en in heel Noordwest-Europa. Voorbeelden zijn:

  • Vroegere aankomst en vertrek van sommige hoognoordelijke ganzen, zoals Kolgans en Toendrarietgans. Ze komen tegenwoordig al in oktober massaal in ons land aan (voorheen vaak pas eind november). Ze vertrekken in zachte winters reeds in februari (voorheen maart).
  • Veranderende timing van najaarstrek. Tellingen van overdag trekkende vogels tonen aan dat, alle soorten bijeengenomen, de najaarstrek in Nederland sinds 1980 met drie dagen is vervroegd. Tegen 30 soorten die eerder doortrokken staan slechts 7 die dat later doen. Vooral Kolgans, Boerenzwaluw, Huiszwaluw, Witte Kwikstaart en Putter trekken tegenwoordig duidelijk vroeger door. Houtduif, Boomleeuwerik  en Vink zijn soorten die dat duidelijk later doen.

Verschuiving van populaties

De klimaatverandering is een grootschalig fenomeen dat niet tot ons land beperkt blijft. Dit heeft gevolgen op populatieniveau voor allerlei vogelsoorten.

Zuidelijke vogelsoorten rukken op

Gemiddeld zachtere winters zijn gunstig voor verschillende soorten vogels:

  • Broedvogels Zuid-Europese soorten als Kleine Zilverreiger, Cetti’s Zanger en Graszanger konden hun broedareaal sterk noordwaarts uitbreiden en zijn nu ook in Nederland niet zeldzaam meer. Bijeneter en Orpheussportvogel gaan misschien volgen. Standvogels en soorten die slechts over korte afstand wegtrekken profiteren van zacht winterweer; de IJsvogel bereikte rond 2008 niet eerder geregistreerde aantallen.
  • Wintervogels Verschillende soorten steltlopers, zoals Kluut, Zilverplevier, Drieteenstrandloper en Rosse Grutto, blijven tegenwoordig in grotere aantallen bij ons overwinteren dan een kwart eeuw geleden. Strenge vorst, waarop ze reageren met gedeeltelijke wegtrek, komt minder vaak voor.

Noordelijke soorten worden schaarser

De klimaatverandering heeft niet uitsluitend positieve gevolgen voor ons land:

  • Broedvogels Verschillende soorten die het zwaartepunt van hun verspreiding ten noorden van ons land hebben, doen het bij ons naar verhouding niet zo goed. Voorbeelden zijn Kramsvogel, Fitis en Matkop. Hoewel habitatfactoren zullen meespelen, kunnen klimaatinvloeden niet worden uitgesloten.
  • Wintervogels Voor verschillende noordelijke soorten is de noodzaak om naar ons land te trekken verminderd. Zo zijn de ooit zo indrukwekkende stromen trekkende Bonte Kraaien opgedroogd. De watervogeltellingen in ons land leveren steeds minder Grote Zaagbekken en Nonnetjes op, een enkele koude winter daargelaten. Doordat grootschalige bevriezing van de Oostzee zeldzamer wordt, kunnen ze ter plekke overwinteren.

Let wel: dit zijn grote lijnen, en ieder seizoen kan weer afwijkingen vertonen. Zo hadden we rond 2010 enkele duidelijk koudere winters. Dit had meteen zichtbare gevolgen: er werden weer eens mooie aantallen zaagbekken geteld, maar de zo florissante stand van de IJsvogel klapte ineen. Tot een wezenlijke aanpassing van het geschetste beeld leidde het echter niet.

Verstoorde voedselketens

Broedvogels proberen zich aan de veranderende klimaatomstandigheden aan te passen. Hun mogelijkheden zijn echter beperkt. Bij verschillende zangvogels is dat uitgezocht,  o.a. door het team van Christian Both. Een voorbeeld is de Bonte Vliegenvanger.

Vroegere rupsenpiek

Bonte Vliegenvangers moeten, net als veel andere zangvogels, profiteren van het moment waarop de aantallen rupsen pieken. Dat was voorheen begin juni, net wanneer de jonge vogels geboren waren. Door hogere winter- en voorjaarstemperaturen valt de rupsenpiek inmiddels twee weken eerder.

Aanpassing mogelijk?

De aankomst van Bonte Vliegenvangers valt tegenwoordig iets vroeger dan enkele decennia geleden. Bovendien gaan ze nog sneller dan voorheen over tot nestbouw en eileg. Het is echter niet voldoende gebleken om het moment van voedselaanbod en voedselbehoefte perfect te synchroniseren.

Mismatch verschilt per habitat

De mismatch tussen broedcyclus en voedselaanbod is het grootst in de rijke loofbossen, die de meest uitgesproken rupsenpiek kennen. In zulke bossen nemen de aantallen Bonte Vliegenvangers dan ook af. In gemengde bossen, vooral op de noordelijke zandgronden, is de situatie gunstiger.