Grillige groei bij zwartkopmeeuwen

Welke vogelaar kent niet het moment waarop een indringend ‘iáuw’ door de voorjaarslucht schalt? Na enig speurwerk zie je vervolgens vrijwel spierwitte meeuwen met een gitzwarte kop overvliegen, vaak paarsgewijs. Sinds 1970 broeden Zwartkopmeeuwen jaarlijks in Nederland en hun aantallen zijn inmiddels gegroeid naar duizenden paren. Wat drijft de toename van deze opportunist?

Zwartkopmeeuw
Een roepende Zwartkopmeeuw op de Kreupel. Foto: Harvey van Diek

De eerste waarneming van een Zwartkopmeeuw in Nederland werd op 15 mei 1930 gedaan op het Leersumse Veld door de ornitholoog François Haverschmidt. Hij documenteerde zijn waarneming van de ‘Mediterrane Kapmeeuw’ grondig in het tijdschrift Ardea. Haverschmidt had niet kunnen bevroedden dat een kleine eeuw later meer dan 6000 paren in het land zouden broeden. Destijds was het verspreidingsgebied van de soort beperkt tot de noordkust van de Zwarte Zee, waar enkele honderdduizenden paren verspreid over gigantische kolonies broedden. Vanaf de jaren vijftig en zestig vestigden Zwartkopmeeuwen uit deze florerende populatie zich in Griekenland, Italië en Hongarije en ontdekten de Franse kust als overwinteringsgebied. 

Al snel verschenen steeds meer Zwartkopmeeuwen in West-Europese kustregio’s. De uitbreiding in Europa wordt in algemene zin toegeschreven aan beschermingsmaatregelen, een goed broedsucces en recent ook het aanleggen van geschikte eilanden. Klimaatopwarming wordt ook regelmatig genoemd, maar op welke manier die bijdraagt, is niet duidelijk.

Tellingen

De broedgevallen van de Zwartkopmeeuw in de jaren vijftig tot en met zeventig zijn goed gedocumenteerd in artikelen in onder andere het tijdschrift Limosa. Sinds 1984 verzamelt Sovon de meldingen landelijk en brengt deze vanaf 1990 onder in het kolonievogelproject. Het grootste deel van de zwartkopmeeuwkolonies ligt in de Delta en wordt jaarlijks in kaart gebracht door medewerkers van Delta Milieuprojecten (DMP), die ook het broedsucces meten. Kolonies elders in het land worden door vrijwilligers, terreinbeheerders of andere veldonderzoekers geteld. Meestal gaat het om grondtellingen van nesten en soms wordt een drone ingezet om een aantal te bepalen. In enkele gevallen zijn kolonies slecht bereikbaar of te verstoringsgevoelig en maakt de teller een inschatting van het aantal paren. 

In de afgelopen tien jaar schommelde het aantal getelde kolonies in Nederland tussen de 41 en 64 (figuur 1). Een enkele vestiging kan gemist zijn, maar we gaan ervan uit dat vrijwel de gehele populatie jaarlijks goed in kaart wordt gebracht. Een complicerende factor bij de tellingen zijn de verplaatsingen die tijdens het broedseizoen kunnen optreden. Om te voorkomen dat kolonies te vroeg worden bezocht, dus voor een eventuele verplaatsing, worden ze in de Delta in de tweede of derde week van mei geteld. Dat is de periode dat de meeste eieren zijn gelegd en waarin de vegetatie het tellen nog niet te veel bemoeilijkt. Nieuwe vestigingen in juni worden niet meer meegeteld in het totaal omdat dit verplaatste vogels kunnen zijn, waarvan het broedsel elders mislukte.

Figuur 1. Aantal broedparen en kolonies vanaf 1970; vanaf dit jaar wordt zonder onderbreking door Zwartkopmeeuwen in Nederland gebroed. De 1-12 broedparen  in de eerste tien jaar van de reeks zijn bijna onzichtbaar.
Figuur 1. Aantal broedparen en kolonies vanaf 1970; vanaf dit jaar wordt zonder onderbreking door Zwartkopmeeuwen in Nederland gebroed. De 1-12 broedparen in de eerste tien jaar van de reeks zijn bijna onzichtbaar.

Kolonies

Bijna alle Zwartkopmeeuwen nestelen in Nederland op eilanden en broedpontons die in het vroege voorjaar een bijna kale bodem hebben. Daarnaast zijn drie vestigingen op een dak bekend. In Zwolle broeden sinds 2015 tussen de 0-6 paren op een distributiecentrum met een grinddak. In 2022 werden vier broedparen op het dak van de bloemenveiling in Aalsmeer gevonden. Tussen 2003 en 2008 was er een dakkolonie in Goes met maximaal 60 nesten. 

Op de meeste locaties sluiten Zwartkopmeeuwen zich aanvankelijk aan bij Kokmeeuwen. Grote Sterns voegen zich op hun beurt graag bij deze meeuwen. In gemengde kolonies valt op dat de soort vaak de hoogst gelegen plekken bezet en dat de nesten dichter bij elkaar liggen dan bij Kokmeeuwen. Zwartkopmeeuwen arriveren in maart en april in de kolonie en starten eind april tot begin mei met de eileg. Doorgaans leggen ze hun eieren zo’n 3-4 dagen later dan de Kokmeeuwen in de kolonie. 

Broedparen zijn in de vestigingsfase veel opportunistischer dan andere meeuwen. In april kunnen bijvoorbeeld honderden vogels baltsen op een plek die een week later alweer volledig verlaten is. Bij aanvang van het broedseizoen vindt nog veel uitwisseling van broedvogels tussen kolonies plaats, en vertrekken sommige vogels bovendien nog naar andere Europese broedregio’s, zo blijkt uit aflezingen van kleurringen.

Figuur 2. Aantalsontwikkeling van Zwartkopmeeuwen per broedregio. De  kolonies in de Nederlandse Delta en het Belgische West-Vlaanderen, met  daarin het havengebied van Antwerpen, vormen één populatie.   Bronnen: Deltamilieu Projecten (DMP), Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek  (INBO) en Meetnet Broedvogels.
Figuur 2. Aantalsontwikkeling van Zwartkopmeeuwen per broedregio. De kolonies in de Nederlandse Delta en het Belgische West-Vlaanderen, met daarin het havengebied van Antwerpen, vormen één populatie. Bronnen: Deltamilieu Projecten (DMP), Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en Meetnet Broedvogels.

Grillige groei

De Nederlandse broedpopulatie Zwartkopmeeuwen laat een imponerende groei zien, al verloopt de groei in de afgelopen twee decennia ook wat grillig. De toename vond vooral plaats binnen kolonies: ten opzichte van de jaren negentig is het aantal kolonies verdubbeld, maar is de populatie 18 keer zo groot geworden. In de aantalsreeks vallen enkele duikelingen op. De dip in 2002 is te verklaren door de vestiging van ongeveer 1100 paren in het Antwerpse havengebied, enkele kilometers over de grens met Nederland. De populatie in de Delta en West-Vlaanderen moet als één geheel beschouwd worden; regelmatig zijn er forse uitwisselingen tussen de grenskolonies (figuur 2). 

In de daljaren in 2011, 2015 en 2020 compenseerden de aantallen in België de Nederlandse dip niet. De oorzaak voor de lage aantallen in 2011 bleef onduidelijk. In 2015 werd de lage stand veroorzaakt door overspoeling van nesten in de grootste kolonie van het land (Hooge Platen, Westerschelde). In 2018 verhuisden circa 2500 paren naar het Antwerpse havengebied, wat het lagere aantal aan de Nederlandse kant grotendeels verklaart. 

Niet alleen verplaatsingen zorgen voor het grillige aantalsverloop binnen de landsgrenzen. Ook droogte in het voorjaar lijkt van invloed op de vestiging van Zwartkopmeeuwen. In 2022 waren de aantallen in de Nederlands-Vlaamse kolonies laag en speelde het forse neerslag tekort in april en mei de meeuwen waarschijnlijk parten. Zwartkop meeuwen foerageren het liefst op zwaar bemeste graslanden, waar ze regenwormen, emelten, kevers en andere insecten uit de bodem halen. Meteen na het bemesten en maaien zijn deze bewerkte graslanden trekpleisters voor groepjes Zwartkopmeeuwen. Ook net bewerkte akkers zijn in trek. De foerageerplekken kunnen tot op enkele tientallen kilometers van de broedkolonie liggen. 

Als graslanden te droog zijn, wordt opvetten voor het broedseizoen moeilijker en wijken Zwartkopmeeuwen waarschijnlijk uit naar broedplaatsen met een beter voedselperspectief. In 2025 zorgde het zeer droge voorjaarsweer opnieuw voor een dip in de aantallen. Van de ruim 10.000 (!) vogels die net voor het broedseizoen in het Waterdunen in Zeeuws-Vlaanderen werden gezien, week een groot deel vermoedelijk toch uit naar andere regio’s in Europa.

Figuur 3. Kolonies van Zwartkopmeeuwen in Nederland in 2025.
Figuur 3. Kolonies van Zwartkopmeeuwen in Nederland in 2025.

Verspreiding

Het zwaartepunt van de verspreiding van Zwartkopmeeuwen ligt in de Delta (figuur 3). In de afgelopen vijf jaar broedde hier gemiddeld 81% van de Nederlandse populatie. Circa 11% broedt in het IJsselmeergebied. Buiten deze twee belangrijkste regio’s komt alleen de kolonie in de Nieuwkoopse Plassen recent nog boven de honderd paren uit. Deze kolonie ligt vlak bij een groot oppervlak van intensief gebruikte laagveenweides. Op basis van het oppervlak van bemest grasland zouden meer kolonies in laagveen te verwachten zijn, maar misschien is het aanbod van geschikte broedplaatsen te beperkt. Kokmeeuwen zijn in laagveengebieden sterk afgenomen en dat werkt in ieder geval niet bevorderend. 

In het Waddengebied blijven broedende Zwartkopmeeuwen opvallend schaars. De enige twee kolonies die in de afgelopen vijf jaar jaarlijks bezet waren, zijn het broedeiland Stern bij Bierum en het Hegewiersterfjild bij Harlingen. In beide gevallen gaat het echter slechts om enkele paren (maximaal 11), grootschalige vestiging blijft vooralsnog uit. Mogelijk speelt voedselbeschikbaarheid hierbij een rol. Net achter de dijken van de Waddenzee wordt het landschap gedomineerd door akkers, die minder interessant zijn als voedsel gebied dan grasland. In Duitsland broeden Zwartkopmeeuwen ook verder landinwaarts langs de Elbe, dichter bij grasland.

Dank

We bedanken Geert Spanoghe en Eric Stienen van het Vlaamse Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) voor de informatie over de kolonies aan de Belgische kant van de grens, en Leon Kelder (Staatsbosbeheer) en alle andere tellers van kolonies in Nederland.

  • Albert de Jong, Joost van Bruggen & Sander Lilipaly (DMP)

Dit is een artikel uit Sovon-nieuws, het ledenmagazine van Sovon Vogelonderzoek Nederland. Leden van Sovon krijgen het blad vier keer per jaar thuisgestuurd.