Inzicht in trends van wintervogels volgens PTT resultaten
Eens per jaar tussen 15 december en 1 januari worden wintervogels geteld op een vaste route. Ook in 2025 voerden honderden vrijwilligers aan het einde van het jaar de jaarlijkse PTT-telling uit: een grootschalige winterinventarisatie waarbij verspreid over het land de aanwezigheid en aantallen van watervogels, roofvogels en andere soorten registreren.
Een van de eerste dingen die tijdens deze PTT opviel, waren de vele Pimpelmezen die werden gezien. Het was zelfs het hoogste aantal sinds het begin van de tellingen. Zelf had ik (Willem van Manen, red.) enkele groepen van 60-70 in bos van lariks, iets wat niet ieder jaar het geval is. Zou dit een overblijfsel kunnen zijn van de enorme aantallen die het afgelopen najaar werden waargenomen op de trek? In een stukje in Sovon-nieuws in 2012 kwam ik tot de slotsom dat van dergelijke trekgolven van Pimpelmezen en Zwarte Mezen in december niets meer is te merken en de mezen hier waarschijnlijk niet blijven hangen. Of deze conclusie echt op de schop moet, valt te bezien. De piek aan Pimpelmezen in het PTT in 2025 bleef namelijk bescheiden, 17% meer dan vorig jaar, wat niet in verhouding lijkt te staan met de enorme toevloed tijdens de trek. We hebben echter geen goed beeld van hoe het aantal individuen in zo’n grote trekgolf zich verhoudt tot de in Nederland wonende populatie. Misschien is dat gewoon niet meer dan 17%.
Verkenning van recente ontwikkelingen
Het PTT-project loopt inmiddels al bijna vijftig jaar en biedt daarmee een unieke kans om ver terug te kijken in de tijd. Die lange geschiedenis wordt ieder jaar trouw opgedist, maar na zoveel jaren veranderen de grote lijnen natuurlijk niet meer zo sterk wanneer er één nieuw jaar bijkomt. Daarom is er in dit bericht juist aandacht voor de meest recente resultaten binnen de lange reeks.
Hiervoor is de periode van de afgelopen acht jaren genomen, het minimumaantal jaren waarover je met enig fatsoen een lineaire trend kan berekenen. Voor alle soorten is berekend of sprake is van een toename of afname in deze periode en of deze significant is (tabel 1 en 2). Daarnaast is het percentage toe- of afname berekend tussen 2018 en 2025. De waarden zijn berekend op het gemiddeld aantal waargenomen individuen per PTT-route, dus zonder weging voor habitat of bijschatting van ontbrekende tellingen.
Betrouwbaarheid van de korte trends
De looptijd van deze trends is kort, waardoor de kans op fouten aanwezig is, zeker bij soorten die ongelijkmatig verspreid voorkomen, zoals veel watervogels. Hiervoor vormen de watervogeltellingen van Sovon een meer betrouwbare bron, en dit biedt tevens een mogelijkheid om de betrouwbaarheid van de PTT-tellingen te testen. Bij slechts drie van 16 soorten blijken de watervogeltellingen iets anders te laten zien dan het PTT (Zwarte Zwaan, Brandgans en de Rosse Stekelstaart). De overige soorten laten recentelijk een identieke trend zien.
Patronen
Bij een groot deel van de soorten met recente toename is het mogelijk dat het uitblijven van koude winters een rol speelt. Alleen bij Zeearend, Middelste Bonte Specht, Roek en Raaf is dat onwaarschijnlijk. Bij de soorten met afname speelt iets dergelijks alleen bij Brilduiker en Ruigpootbuizerd, die tegenwoordig verder oostelijk en noordelijk kunnen overwinteren, waardoor de aantallen in Nederland kleiner zijn.
De toename van Zeearend, Middelste Bonte Specht en Raaf heeft hooguit ten dele te maken met recent verbeterende omstandigheden alhier. Eerder is het een trage reactie op wettelijke bescherming en herbebossing die bijna een eeuw geleden aanvingen, maar in het geval van deze soorten nu pas effect begint te geven bij ons.
In de lijst met afnemende soorten vallen Havik, Buizerd en Slechtvalk op. Dit zijn grotere roofvogels, die een groot scala aan prooien kunnen bejagen. Afname van deze soorten zou kunnen duiden op verarming van systemen, dus misschien niet zozeer van de veel genoemde biodiversiteit als wel van de aantallen aanwezige prooidieren. Bij de Slechtvalk valt de start van de afname in enige mate samen met het optreden van vogelgriep, maar we kunnen niet uitsluiten dat ook bij deze soort afname van voedsel sturend is, zoals dat bij de Havik overtuigend het geval is.
Ook met bosvogels lijkt het niet onverdeeld goed te gaan. Van soorten van jonger bos weten we al een tijdje dat het niet zo goed met ze gaat. Te denken valt aan Heggenmus, Goudvink en Matkop. In tabel 2 staan echter ook bosvogels die hun optimum vinden in juist oudere bosstadia, zoals Kleine Bonte Specht, Boomklever en Koolmees.
Conclusies
In zijn algemeenheid ondervindt vrijwel iedere soort voor- en nadelen van de manier waarop wij mensen onze omgeving inrichten en gebruiken. Voor weidevogels lag dat optimum in de jaren vijftig en zestig, voor meeuwen en kraaiachtigen in de jaren zeventig en tachtig, voor naaldbosvogels misschien de jaren tachtig en negentig en Grauwe Ganzen zouden momenteel een optimum kunnen doormaken. Je kan je voorstellen dat er niet zoveel aan de hand is zolang er maar evenveel soorten last ondervinden als profiteren van ons handelen. Om hier zicht op te krijgen, is de hele PTT-periode vanaf 1978 opgeknipt in zes periodes van 8 jaar, te beginnen bij 1978-85 en eindigend in 2018-2025. Voor iedere periode is gekeken hoeveel soorten er significant toenamen dan wel afnamen (figuur 1).
Het aantal soorten dat toenam was aanvankelijk veel groter dan het aantal soorten dat in aantal afnam. Vanaf 2002 was de situatie min of meer in evenwicht en in 2018-2025 waren er voor het eerst veel meer soorten die afnamen. We hebben dus een lange periode achter de rug waarin veel soorten talrijker werden en logischerwijs moest dat beeld een keer gaan kantelen. Het is dus niet zeker of 2018-2025 corrigeert voor de eerdere massale toename of dat het een opmaat is naar een Nederland waarin minder ruimte is voor vogels. Zeker is dat gestructureerd blijven tellen hier van het grootste belang is.
Willem van Manen
Senior veldmedewerker en meetnetcoördinator PTT