Kolgans

Wetenschappelijke naam

Anser albifrons

Engelse naam

Greater White-fronted Goose

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

10000

Broedpopulatie

540-2350 (2012)

Geschat maximum winter/doortrek

820000-970000, jan (2009-2014)

Kolgans

Anser albifrons

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin april t/m juli

Datumgrenzen

15 april t/m 30 juni

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Paren en broedverdachte individuen in broedbiotoop (moeras, grasland, wateren); let op territoriaal of nestindicerend gedrag: paarsgewijs foerageren in omgeving van potentiële broedplaats (man waakzaam, vrouw stevig bunkerend), wakende vogel bij mogelijke nestplaats, baltsende en alarmerende individuen/paren op en boven broedplaats, nest met broedende vogel.
LET OP: Paar met (kleine) jongen kan grote afstanden hebben afgelegd en is geen bewijs van broeden ter plaatse. Opgroeigebieden van kuikens tot 2500 m van nestplaats. Broedstatus in veel gebieden vaag, met groot aandeel niet-broedvogels. Overzomeraars (verzwakte of gewonde vogels) komen regelmatig voor en zijn soms gepaard; alleen meetellen indien ze duidelijke broedinitiatieven nemen.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (broedende vogel, fel alarm, pas uitgekomen kuikens) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 15 april t/m 30 juni en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

2500 m

Bijzonderheden

Sinds jaren negentig gevestigd als broedvogel in Nederland. Broedvogels zijn deels van tamme origine (losgelaten lokvogels, watervogelcollectie), deels van achtergebleven (bijv. aangeschoten) wilde vogels; nakomelingen doorgaans wild.

Broedbiologie

Nestelt in open landschap met zowel grazige plekken als open water. Nest meestal in riet, soms in grasland, op polderdijken etc. Veelal solitair maar ook wel in kleine kolonies (nesten 10-20 m uit elkaar). Gemengde kolonies met Grauwe Gans komen weinig voor. Eileg vermoedelijk vooral in mei. Eén broedsel per jaar, meestal 5-6 eieren, broedduur 26-28 dagen, jongen na 40-43 dagen vliegvlug. Familie blijft minimaal tot volgende voorjaar bijeen.

Tijd van het jaar

Half september tot in april, hoogste aantallen november-maart.

Tijd van de dag

Van 1 uur na zonsopgang tot 1 uur voor zonsondergang.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken; eerste oriëntatie van voedselgebieden vaak mogelijk via bezoek slaapplaats in de ochtend
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- Oppassen voor verstoring (niet te dicht naderen, geen lawaai)

Bijzonderheden

- Meestal in groepen tot enkele honderden of duizenden, zelden solitair (en dan veelal aansluitend bij andere ganzen)
- Groepen vaak gemengd met andere ganzen, vooral Toendrarietgans, Brandgans, Grauwe Gans
- Foerageert vooral op grasland, maar plaatselijk ook op akkers met oogstresten (bietenresten)
- Drinkvluchten naar open water
- Maak eventueel onderscheid tussen eerste winter vogels en oudere dieren; eerste winter vogels goed herkenbaar tot en met januari, let vooral op ontbreken zwarte strepen op buik (zie Limosa 79: 163-168)
- Let op halsbanden (zie www.geese.org)
- Overzomeraars tellen in juli of eerste helft augustus, overdag op wateren (tussen 09-18:00 uur)

Tijd van het jaar

Oktober-maart, hoogste aantallen november-februari.

Tijd van de dag

Avond: van 1 uur voor zonsondergang tot 1,5 uur erna
Ochtend: van 1 uur voor zonsopgang tot 1 uur erna.
Beste tellen in ochtend (aankomst ’s avonds vaak nog in donker)

Aanwijzingen

- Slaapplaats lokaliseren door volgen van slaaptrek in avond (richting belangrijk!) of evt. gericht bezoeken van geschikte locaties rond zonsondergang
- Oppassen met voorverzamelplaatsen (vogels verkassen nog)
- Zoek telpunt met goed uitzicht op aan/afvliegende vogels
- Tegenlicht prettig want houdt vogels langer zichtbaar
- Grote slaapplaatsen met meerdere mensen tellen
- Vogels arriveren bij helder weer gemiddeld later dan bij donker weer
- Bij aanvang van telling aanwezige vogels noteren
- Vervolgens aan- of uitvliegende vogels noteren

Bijzonderheden

- Kan grote afstand afleggen (>20 km) tot slaapplaats
- Slaapplaats meestal op water, van kleine kleiputten tot groot open water. Voorkeur voor beschutte randen of ondiepe gedeeltes. Ook op ondergelopen graslanden
- 's Ochtends vroeg nog samengeklonterd in dichte groepen, maar vogels zwemmen uiteen alvorens uit te vliegen
- Uitvliegen meestal massaal
- Indien gemengd met andere ganzen zijn telresultaten niet altijd tot op de soort uit te splitsen (hoewel soorten vaak gegroepeerd overnachten); bepaal evt. de verhouding tussen de soorten in de omliggende foerageergebieden, en reken dit door naar de slaapplaatsaantallen (indien deze werkwijze toegepast: altijd vermelden!)
- Bij strenge vorst en bevroren water verkassend naar overgebleven open water, zoals diepe zandwinplassen of riviervakken. Soms op ijs slapend

Broedtijd

Kolganzen broeden vanaf 1980 in ons land in snel toenemende aantallen. In eerste instantie ging het om lokvogels, gebruikt bij de jacht en losgelaten nadat dit middel verboden werd. De populatie groeide tot maximaal 250 paren rond 2000 en het drievoudige nog geen tien jaren later. Kerngebieden liggen rond de Friese Meren, in de Zaanstreek, oostelijk Zuid-Holland en het rivierengebied, vooral daar waar ook de meeste jagers actief waren.

Buiten broedtijd

Kolganzen zijn voornamelijk aanwezig van oktober tot en met maart, met de hoogste aantallen midden in de winter. Maximaal vertoeven er bijna 900.000 Kolganzen in ons land, 80% van de wereldpopulatie. De grootste concentraties houden zich op in graslanden in Friesland en het rivierengebied. Strenge vorst en zware sneeuwval kan leiden tot een leegloop uit Noordoost-Nederland (en toenemende aantallen in Zuidwest-Nederland en het rivierengebied), soms ook tot een massale toestroom of doortrek van vogels die eerst oostelijker pleisterden. De landelijke aantallen namen sinds 1975 fors toe. Dit berust deels op een herverdeling van binnen Europa overwinterende Kolganzen en verlaagde jachtdruk. Tegelijkertijd arriveerde de voorhoede steeds vroeger en namen Kolganzen nieuwe pleisterplaatsen buiten de traditionele in gebruik. Kolganzen blijven overigens niet langer hangen dan voorheen: in zachte winters trekt al een fors deel weg in februari. De in Nederland overwinterende aantallen zijn sinds 2005 stabiel; dat de seizoensgemiddelden nog toenamen komt vooral doordat grote aantallen soms al vroeg in de herfst arriveren.