Wulp

Wetenschappelijke naam

Numenius arquata

Engelse naam

Eurasian Curlew

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

7700

Broedpopulatie

6400-7400 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

180000-220000, aug-feb (2009-2014)

Wulp

Numenius arquata

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half maart t/m juni

Datumgrenzen

15 maart t/m 31 mei

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Paren in broedbiotoop (ook rustende of foeragerende paren), territoriaal gedrag (zang, baltsvlucht; maar zie hieronder) en aanwijzingen voor nest: wakend mannetje (vaak binnen 100 m van nest met broedend vrouwtje), bezoek aan vermoedelijke nestplaats (vrouwtje sluipt op karakteristieke wijze, 'met de hand schuin in de zak', weg van nest), alarm (fel reagerend op indringers zoals kraaien en roofvogels), paar met kleine jongen (verplaatsen zich echter snel over honderden meters).
LET OP: Doortrek tot in april en overzomeraars regionaal (Waddengebied!) heel normaal, maar zulke vogels houden zich in groepen op, veelal buiten broedbiotoop en vertonen geen binding aan terrein. Beste inventarisatieperiode is eind maart en april (zangpiek); daarna verdwijnen mislukte broedparen (bij Wulp heel gebruikelijk: hoge nestverliezen) om soms elders (tijdelijk) op te duiken. Zowel parners als buren worden begroet met trillend of jodelend geluid dat door beide geslachten wordt voortgebracht. Dit maakt het karteren van paren lastig; let op geslachtskenmerken (mannetje kleiner en met kortere snavel dan vrouwtje). Baltsvlucht wordt vaak over grote afstand uitgevoerd; let op waar de vogel landt (al kan dit ook het voedselgebied zijn).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (broedende vogel, fel alarm, pas uitgekomen kuikens) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 15 maart t/m 31 mei en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

Broedbiologie

Broedt in droge tot vochtige (half)open landschapen, zowel in natuurterrein (duin, heide, hoogveen) als agrarisch cultuurland (vooral grasland). Eileg van eind maart tot eind mei, vooral in april. Eén broedsel per jaar, meestal 3-4 eieren, broedduur 30 dagen, jongen (nestvlieders) met 35 dagen vliegvlug.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Begin april tot half juli. Legpiek van half april tot eind mei. Eén broedsel per jaar.

Nesthabitat

Open landschappen met lage vegetaties, variërend van jonge duinen en kwelders/schorren (kustgebied) tot heide, hoogveen en nogal droge graslanden (binnenland); amper op bouwland.

Nest

Grondnest in grote pol gras of heide, vaak aan een kant afgeschermd door vegetatie, soms echter vrij open. Beide partners krabben ondiep nestkuiltje uit, vrouwtje maakt keus. Nest zelf eenvoudig met strootjes gevoerd, soms bijna zonder voering.

Aanwijzingen

Territorium wordt aangegeven door baltsvlucht van man (echter over grote afstand) en baltsend paar (samen oplopend). Broedende vogel te lokaliseren door terrein zorgvuldig af te zoeken met kijker (kop en snavel zichtbaar), beste te doen vanuit verborgen hogere positie of auto. Nest zelf echter vaak lastig te vinden: broedende vogel (beide geslachten) verlaat nest bij verstoring op grote afstand, soms honderden meters, na alarm van partner. Loopt eerst een stukje en vliegt dan laag en stil weg. Naar nest terugkerende vogel is waakzaam en gaat schijnbaar foerageren; legt laatste tientallen meters naar nest gebukt rennend af.

Attentie

Let op gedrag van vogels: luidkeels alarmerende, rond waarnemer vliegende Wulpen hebben al jongen (blijven eerste dagen in directe nestomgeving) of uitkomende eieren. Terugkeer naar nest kan lang duren als vogel zich bespied voelt (houd grotere afstand aan) of nog weinig nestbinding heeft (verse eieren).

Bijzonderheden

Wulpen hebben een fenomenaal geheugen en kunnen potentieel ‘gevaarlijke’ waarnemers (ringers, nestcontroleurs) herkennen.

Meer informatie

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen juli-april.

Tijd van de dag

Van 1 uur voor hoogwater tot 1 uur erna.

Aanwijzingen

- Hoogwatervluchtplaats (HVP) lokaliseren aan de hand van verplaatsingen rond hoogwater
- Oppassen met voorverzamelplaatsen! (vogels verkassen nog)
- Vaak massale aankomst op HVP
- Aanvliegende vogels beter te tellen dan vogels ter plaatse (dichte groepen)
- Tijdens hoogwater vaak rustend
- Deel vogels begint te foerageren bij zakkend water
- Bij grote gebieden ‘met het getij mee’ werken
- In onoverzichtelijke gebieden insteek maken of hoger punt zoeken (maar pas op voor verstoring!)

Bijzonderheden

- HVP vaak op geïsoleerde rustige plaatsen (kwelders) dicht bij of gedeeltelijk in het water, maar ook verstopt in hogere vegetatie
- Ook binnendijks op grasland en bouwland, soms in duinen
- Vaak specifieke groepen en niet gemengd met andere steltlopers
- Bij lage vloed ook op wad overtijend
- HVP kan in heel verschillende habitats liggen (en daardoor lastig te vinden zijn)
- Aanvliegende vogels in gekanaliseerde stroom goed te tellen, niet goed bij meer verspreide aankomst.

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen september-maart.

Tijd van de dag

Van 1 uur na zonsopgang tot 2 uur voor zonsondergang, in getijdengebieden tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- Bij grote gebieden of erg veel vogels: in teamverband tellen
- Anticiperen op verstoring door anderen
- Oppassen voor zelf veroorzaakte verstoring (dicht naderen, hard klappen met autodeur)
- In getijdengebieden verplaatsingen onder invloed van getij

Bijzonderheden

- Vaak in dichte groepen, en individuele vogels op afstand dan moeilijk te onderscheiden
- Op grasland, bouwland en ondiepe plassen
- Grotere pleisterplaatsen vaak jarenlang in gebruik
- Soms gemengd met meeuwen of andere steltlopers.

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen juli-april maar met grote regionale verschillen.

Tijd van de dag

Avond: van 2 uur voor zonsondergang tot 1,5 uur erna
Ochtend: van 2 uur voor zonsopgang tot half uur erna
Beste tellen in avond (ochtendvertrek soms snel en massaal)

Aanwijzingen

- Slaapplaats lokaliseren door volgen van slaaptrek in avond (richting belangrijk!) of evt. gericht bezoeken van geschikte locaties rond zonsondergang
- Oppassen met voorverzamelplaatsen (vogels verkassen nog)
- Zoek telpunt met goed uitzicht op aan/afvliegende vogels
- Tegenlicht prettig want houdt vogels langer zichtbaar
- Grote slaapplaatsen met meerdere mensen tellen
- Vogels arriveren bij helder weer gemiddeld later dan bij donker weer
- Bij aanvang van telling aanwezige vogels noteren
- Vervolgens aan- of uitvliegende vogels noteren

Bijzonderheden

- Slaapplaatsen in waterrijke gebieden met ondiep water, ook wel op (verbrande) heide en basaltglooiingen
- Maakt veel gebruik van voorverzamelplaatsen die pas laat worden verlaten. Opletten dus!
- Aankomende vogels (vaak in luidruchtige groepen tot enkele tientallen) vliegen vaak enige tijd (over soms grote afstanden) rond alvorens neer te strijken
- Tijdens ‘paniekvluchten’ gaan soms alle vogels de lucht in, om na enige tijd weer in te vallen (geeft de kans om de genoteerde aantallen te checken).

Broedtijd

Tegenwoordig broeden de meeste Wulpen in vaak open, soms ook meer besloten graslanden op zandige of venige gronden in het oosten en zuiden van het land. Lokaal nestelt de soort ook op kleigrond, bijvoorbeeld in delen van het rivierengebied. Heide-, hoogveen- en duingebieden zijn vrijwel al hun Wulpen kwijtgeraakt. Tot rond 1980 huisde de meerderheid juist in deze natuurgebieden. De verdwijning aldaar staat waarschijnlijk in verband met langdurig slechte broedresultaten door voedseltekort en predatie. De overstap naar agrarisch cultuurland, die overigens al vanaf begin twintigste eeuw plaatsvond, maakt Wulpen gevoelig voor intensivering van de landbouw. De landelijke trend is afnemend.

Buiten broedtijd

De meeste Nederlandse broedvogels trekken weg naar Zuidwest-Europa en Engeland. Ze worden tussen juli en april afgelost door grote aantallen afkomstig uit een gebied tot ver in Rusland. In het najaar raakt bij ons het diepe binnenland leeg, terwijl de kustgebieden juist volstromen met Wulpen. In augustus en september zijn er tot 200.000 in Nederland aanwezig, met de nadruk op het Waddengebied en in mindere mate de Delta. De aantallen in de winter zijn wat lager, maar een grote uittocht vindt alleen plaats bij langdurige strenge vorst. Vanaf januari of februari nemen de aantallen weer wat toe, deels door de aankomst van de eigen broedvogels. De trend op de lange termijn is toenemend. Waarschijnlijk komt dit grotendeels door een herverdeling van Wulpen binnen de Europese overwinteringsgebieden.