Spreeuw

Wetenschappelijke naam

Sturnus vulgaris

Engelse naam

Common Starling

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

500.000-900.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

uiterst groot aantal

Spreeuw

Sturnus vulgaris

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin maart t/m juni

Datumgrenzen

1 april t/m 31 mei

Tijd van de dag

Aanwijzingen

Zang (vanaf schoorstenen, masten, boomtoppen), paren in broedbiotoop en aanwijzingen voor nest: bezet nesthol (verse, opvallende uitwerpselen onder nesthol), transport van nestmateriaal (vooral vrouwtje), voedsel en uitwerpselpakketjes (beide partners), bedelende nestjongen (doordringend zeurend geluid vlak voor uitvliegen)
LET OP: Broedt vaak in losvaste kolonies, waarbij zowel groepszang voorkomt (bijv. kwelend groepje in oud bos met veel spechtenholen) als individuele zang op verschillende plekken (bezoek van potentiële broedholen). Groepsgewijs broeden wordt vaak onderschat (korte zangpiek, vogels daarna onopvallend totdat nestjongen gevoerd worden, kolonie in tweede helft mei doorgaans leeggelopen). Solitaire paren in bos worden gemakkelijk gemist (let in april goed op zingende mannetjes en nestholtes inspecterende vogels, soms in hoge zijtakken).
Voedseltransport vindt soms over > 1 km plaats (alleen dus vogel meetellen die met voedsel naar geschikte nestplek vliegt), uitgevlogen jongen vertrekken onmiddellijk met ouders naar voedselrijke terreinen (waarnemingen buiten beschouwing laten).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 1 april t/m 31 mei en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

100 m

Bijzonderheden

Sterk synchrone zangpiek, eileg en uitvliegende jongen (Spreeuwenzwermen vanaf eind mei op graslanden en in boomgaarden). Vanaf eind mei alleen nog kleine aantallen bezig met broeden (vervolglegsels, tweede broedsels).

Broedbiologie

Broedt in bos (vooral rijk oud loofbos), agrarisch cultuurland en in bebouwing. Eileg van begin april (stedelijk gebied) tot half juni, met sterk synchrone legpiek in tweede helft april. Eén tot twee broedsels per jaar, meestal 4-7 eieren, broedduur 11-13 dagen, nestjongenperiode 19-24 dagen, uitgevlogen jongen worden slechts 4-5 dagen gevoerd.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Van begin april tot half juni, legpiek in april en begin mei. Eén, soms twee broedsels.

Nesthabitat

In bebouwde omgeving en in bosranden (voorkeur voor oud wat gehavend loofbos, graag in populieren).

Nest

Zowel in boomholtes (oude spechtenholen, ingerotte plekken, spleten) als andere holtes, inclusief bij bebouwing (gaten in dak, ouderwetse schoorstenen, brokkelige muren, nestkasten met grote invliegopening). Nest wordt door mannetje en vrouwtje gebouwd. Slordig bouwsel van voornamelijk stro, afgewerkt met wol, mos en andere spullen waaronder papiertjes. Nest vult groot deel van holte en derhalve soms omvangrijk.

Aanwijzingen

Nesten te vinden door zang (mannetje zingt doorgaans vlakbij hol), aanvoer van nestmateriaal of voedsel in jongenfase. Vogels tijdens eifase minder opvallend, maar verlaten regelmatig het nest (beide partners broeden) om voedsel te zoeken. Let op hese alarmroepen bij mogelijk gevaar; fanatieke reactie op waarnemer of ander potentieel gevaar vanaf halfwas nestjongen of eerder. Aanwezigheid van nestjongen, bij afwezigheid van oudervogels, duidelijk door eischalen (vaak vlakbij nest gedropt), bedelroep (steeds luider naarmate ze ouder worden) en poepstrepen onder de nestingang of aan de voet van de nestboom.

Attentie

Soort is niet bijzonder verstoringsgevoelig.

Bijzonderheden

Gewoonlijk in kleine, losvaste kolonies broedend en met sterk gesynchroniseerd broedbegin. Nestjongen in een regio vliegen vaak binnen enkele dagen massaal uit, met echter merkbare verschillen in timing tussen verschillende regio’s. Vervolglegsels of eventuele tweede broedsels veel minder gemakkelijk vast te stellen; deze worden regelmatig door alleen het vrouwtje grootgebracht.

Meer informatie

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen maart en juli-november

Tijd van de dag

Avond: van 1 uur voor zonsondergang tot 1 uur erna
Ochtend: van 1 uur voor zonsopgang tot half uur erna
Zowel ´s ochtends als ´s avonds te tellen, maar uitvliegen ’s ochtends vaak massaal

Aanwijzingen

- Slaapplaats lokaliseren door volgen van slaaptrek in avond (richting belangrijk!) of evt. gericht bezoeken van geschikte locaties rond zonsondergang
- Oppassen met voorverzamelplaatsen (vogels verkassen nog)
- Zoek telpunt met goed uitzicht op aan/afvliegende vogels
- Tegenlicht prettig want houdt vogels langer zichtbaar
- Grote slaapplaatsen met meerdere mensen tellen
- Vogels arriveren bij helder weer gemiddeld later dan bij donker weer
- Bij aanvang van telling aanwezige vogels noteren
- Vervolgens aan- of uitvliegende vogels noteren

Bijzonderheden

- Slaapplaatsen zowel in buitengebied (rietmoerassen) als stedelijk gebied (b.v. tuinen, stations)
- Voorverzamelplaatsen in hoogspanningsmasten en -draden, bomen en gebouwen
- Spectaculaire rondvluchten boven de slaapplaats in soms enorme groepen (Spreeuwenwolken)
- Tel de groepen boven de slaapplaats en noteer vervolgens de nieuwkomers die zich hierbij aansluiten
- Invallende vogels maken zich groepsgewijs los vanuit onderkant Spreeuwenwolk
- Grote groepen steeds opnieuw tellen, om te oefenen en om tot een betrouwbaar gemiddelde te komen
- Foto´s in hoge resolutie van Spreeuwenwolken kunnen aantalbepaling vergemakkelijken (eventueel m.b.v. software)
- Binnen een telgroep dekt elke waarnemer een windrichting af en telt alleen de aanvliegende groepen met tijdstip. Maak goede afspraken over de begrenzing van elke windrichting en tijdnotaties om dubbeltellingen te voorkomen. Idealiter wordt elk post bemand door twee personen (tellen en schrijven)

Broedtijd

Spreeuwen zijn in het hele land bekende broedvogels. Ze zijn het talrijkst in boerenland met veel gras en in stedelijk gebied met veel gazons. Het voorkomen in bos blijft beperkt tot randsituaties. De landelijke aantallen namen vermoedelijk tot midden twintigste eeuw toe. Vanaf 1990 of eerder is het echter afname wat de klok slaat, in het bijzonder in bossen. De afstand tot voedselgebieden (graslanden) is vermoedelijk op veel plekken te groot geworden voor profijtelijk broeden. De aantalsontwikkeling in boerenland en stedelijk gebied is divers, al krijgen negatieve tendensen ook daar de overhand.

Buiten broedtijd

De Nederlandse broedvogels zijn standvogel of trekken in september en oktober enkele honderden kilometers weg. Grote aantallen Oost-, Noord- en Midden-Europese Spreeuwen bezoeken ons land, met pieken in juli (na het uitvliegen van de jongen) en de herfst (trek). Vooral half oktober kunnen indrukwekkende fronten Spreeuwen passeren, met name langs de Hollands-Zeeuwse kust. De verspreiding van de overwinteraars is weersafhankelijk: bij zacht weer vooral in de graslanden, bij streng winterweer ook veel in stedelijk gebied. De voorjaarstrek vindt vooral in maart plaats.