Oeverzwaluw

Wetenschappelijke naam

Riparia riparia

Engelse naam

Sand Martin

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

23.000-30.000 (2015)

Geschat maximum winter/doortrek

vrij klein aantal

Oeverzwaluw

Riparia riparia

Methode

Nesten tellen

Tijd van het jaar

Begin mei t/m augustus

Datumgrenzen

20 mei t/m 15 juli

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Minimaal eenmaal bewoonde nesten tellen, bij voorkeur in tweede helft juni. Bewoonde nesten zijn herkenbaar aan diepe gang (einde niet zichtbaar), slijtplekken (pootafdrukken) in holopening, ontbreken van spinrag/planten voor hol, gave nestopening (niet ingestort of uitgesleten) en (na half juni) geluid van piepende jongen of aanwezigheid van bedelende jongen in nesthol. Nesten in kleine kolonies evt. intekenen op situatieschets; vervolgens per nest nagaan of het bewoond is. Zie ook Bijzonderheden.

Als nesten tellen echt onmogelijk is, worden bij de kolonie rondvliegende volwassen individuen geteld. Dit doen in tweede helft juni, tegen de avond en uitsluitend bij mooi weer (bij nat en koud weer foerageren veel vogels laat in de avond elders). Tenminste twee maal tellen, met max. twee weken ertussen. Na juni worden vaak vliegvlugge jonge vogels (uit andere kolonies) meegeteld. Tellingen van individuen zijn alleen al daarom veel minder nauwkeurig dan nesttellingen.

Interpretatie

Hoogste aantal gelijktijdig bezette nesten in periode 20 mei-15 juli aanhouden. Bij telling rondvliegende vogels (veel onnauwkeuriger!): hoogste aantal delen door 1,5.

Fusieafstand

500 m

Bijzonderheden

Vestigingen (in nieuw ontstane steilwanden) tot in juli. Na half juli zijn de kolonies doorgaans minder bezet (tweede broedsel). Begin september kunnen zich nog jongen in de holen bevinden.
Door graafwerkzaamheden treden soms verplaatsingen binnen het broedseizoen op.
Holen zijn soms bezet door o.a. Ringmus, Pimpelmees en IJsvogel.

Broedbiologie

Biotoop: steilwanden van afgravingen, afgekalfde oevers, grond-depots, lage aarden walletjes e.d. Nestelt ook in kunstmatige oeverzwaluwwanden (betonwand met geboorde holen).
Een tot twee broedsels per jaar. Meestal 4-8 eieren, broedduur 14-17 dagen, nestjongenperiode 20-24 dagen. Eileg eind april tot midden augustus, met piek van eerste broedsel in tweede helft mei en van tweede broedsel meer diffuus.

Broedtijd

Oeverzwaluwen nestelen in steilwanden van natuurlijke oevers of, veel vaker, afgravingen, gronddepots of andere gevolgen van menselijke bedrijvigheid. Omdat geschikte broedgelegenheid doorgaans maar korte tijd beschikbaar is, zijn jaarlijkse verplaatsingen van kolonies aan de orde van de dag. Ook de landelijke aantallen variëren enorm, met na de eeuwwisseling in gunstige jaren tot 30.000 paren maar in andere jaren nog niet de helft. Nog diepere inzinkingen, zoals midden jaren tachtig, vielen samen met extreme droogte in de Sahel, het overwinteringsgebied. Pieken vallen samen met voldoende neerslag in de Sahel en een hausse aan bouw- en graafactiviteit in Nederland. Grootschalige oeverafslag langs de Grensmaas, de enige rivier met volledig natuurlijke oevers, kan enkele jaren duizenden Oeverzwaluwen nestgelegenheid bieden.

Buiten broedtijd

De eerste Oeverzwaluwen komen in maart aan en doortrek vindt plaats tot diep in mei. Vanaf juli ontstaan gemeenschappelijke slaapplaatsen, doorgaans in rietvelden. Enorme concentraties met tot 100.000 Oeverzwaluwen, zoals bekend van Flevoland rond 1970, worden niet meer gemeld. De meeste kolonies worden in augustus verlaten. In dezelfde maand, en in september, wordt ook doortrek opgemerkt.