Veldleeuwerik

Wetenschappelijke naam

Alauda arvensis

Engelse naam

Eurasian Skylark

Rode Lijst

Gevoelig

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

50.000-70.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

groot aantal

Veldleeuwerik

Alauda arvensis

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin maart t/m juli

Datumgrenzen

1 april t/m 15 juni

Tijd van de dag

Vooral in de ochtend.

Aanwijzingen

Zang (vanaf bodem of in spiraalvormige vlucht), paren in broedbiotoop (soms lastig te interpreteren: mannetje jaagt achter vrouwtje aan tijdens balts en broeden, let op 'paarvluchten' laag boven de grond) en aanwijzingen voor nest, vooral voedseltransport (nestbouw vaak onopvallend, wegdragen van uitwerpselpakketjes idem).
LET OP: Zingende vogels in vlucht kunnen zeer hoog opvliegen en zijn dan vrijwel niet precies te lokaliseren (hemel 'verzadigd' van geluid). Let op de plek waar ze zingend opstijgen (of landen). Bij hoge dichtheden (lokaal nog in bepaalde akkergewassen, schraal grasland, open heide) strategisch punt innemen en enige tijd opletten op (vooral) opstijgende mannetjes aan begin van zangvlucht. Indien insteek in terrein gewenst is: eerst vanaf de randen tellen, dan insteek maken van ca. 200-250 m, hier opnieuw tellen, enzovoort.
Territoria vooral in akkerland onderhevig aan veranderingen onder invloed van grondbewerking, vooral bij zomervruchten (zomergraan, suikerbieten, erwten etc.). Maïsvelden worden soms in maart-begin april bezet (braakliggende stoppelvelden) maar na omploegen in april doorgaans weer verlaten. Territoriumverschuivingen tussen eerste en tweede broedsel.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 1 april t/m 15 juni

Fusieafstand

300 m

Bijzonderheden

Oppervlakte foerageergebied kan sterk verschillen. Vogels zoeken in optimale habitat voedsel binnen 100 m van nest maar vliegen in minder gunstige biotopen honderden meters. Foeragerende vogels drukken zich voor waarnemer;vlak voor de waarnemer opvliegende vogel hoeft dus niet per se vogel met nest te zijn.

Broedbiologie

Broedt in (meestal vrij droge) open landschappen, zowel natuurterreinen (heide, duinen) als agrarisch cultuurlandschap (tegenwoordig vooral akkerland). Eileg van half april tot begin juli, met pieken half april/half mei en juni. Twee broedsels per jaar, meestal 2-5 eieren, broedduur 12-13 dagen, nestjongenperiode 11 dagen, jongen worden nog ongeveer 1 week na uitvliegen gevoerd.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Van begin april tot in augustus. Legpiek eind april tot eind juni. Twee, soms drie broedsels per jaar.

Nesthabitat

Open, (nagenoeg) boomloze landschappen met lage vegetatie, variërend van jonge duinen tot heidevelden, kwelders/schorren, gras- en bouwland.

Nest

Grondnest, meestal in door wijfje uitgediepte kleine laagte. Nestbouw door vrouwtje, begeleid door mannetje. Goed verborgen nest, aan één zijde afgeschermd door polletje vegetatie en doorgaans maar vanuit één kant te zien (vaak NO). Nest aan begin seizoen soms vrij open gelegen, maar vanwege vegetatieontwikkeling doorgaans verrassend snel amper meer te zien. Nesten meestal in vegetatie van 10-40 cm hoog, op bouwland ook in hogere gewassen maar dan vaak op plekken waar de plantengroei achterblijft of onderbroken is.

Aanwijzingen

Zangvlucht bestrijkt vaak groot gebied, maar mannetje staat soms te bidden boven nestbouwend vrouwtje. Tijdens begin van bebroeding opletten op van nest komend vrouwtje (soms zichtbaar zolang vegetatie nog niet gesloten is). Als bebroeding gevorderd is, zit vrouwtje vast op eieren (vliegt alleen op korte afstand op, laag over de grond en met snelle ondiepe vleugelslag). Let dan op zingend mannetje dat daalt; hij valt vaak in bij een vrouwtje dat van het nest komt om te foerageren, iets dat ieder kwartier tot een half uur plaatsvindt. Volg het naar het nest terugkerend vrouwtje (maakt korte vluchtjes en loopt laatste stukje naar nest, of hangt even te bidden boven het nest alvorens zich in de vegetatie te laten zakken). Mannetje drijft vrouwtje soms terug naar nest en blijft even boven nest hangen (vrouwtje gaat op eieren zitten) alvorens weer op te stijgen. In jongenfase voedsel aandragende ouders volgen (beide partners, grootte van prooien indicatief voor leeftijd jongen); vliegen vaak recht naar nest (vooral als jongen groot zijn) of lopen laatste stukje. Let op de plek van waar ze opvliegen (gewoonlijk de nestlocatie).

Attentie

Vermoedelijke nest zeer voorzichtig benaderen in verband met vertrappingsgevaar (let op looppaadje van vogels naar nest). Nestjongen (opvallend donzig) beginnen (als ze nog klein zijn zijn) soms te bedelen als je fluit. Ze blijven maar 8-9 dagen in het nest en kunnen daarna vrijwel onvindbaar nabij het nest zitten; ze zijn bijzonder goed gecamoufleerd. Nesten waarvan de leeftijd van de jongen berekend kan worden niet bezoeken na de eerste levensweek (jongen verlaten voortijdig nest of kunnen vertrapt worden).

Bijzonderheden

In eenvormige habitat met hoge dichtheid soms profijtelijk om met verschillende personen touw te slepen door vegetatie (let op locatie waar Veldleeuwerik opvliegt). Aan begin van broedseizoen of in schaarsbegroeide habitat kan systematisch aflopen van alle wat hogere pollen vegetatie lonend zijn.

Meer informatie

Broedtijd

De Veldleeuwerik was rond 1975 nog een volstrekt normale broedvogel van het boerenland. Het was een van de talrijkste en meest verspreide broedvogels van Nederland. Sindsdien ging het hard bergafwaarts en de huidige populatie is maar een schim van die van weleer. De afname trof vooral graslandgebieden en in mindere mate akkerland. De Veldleeuwerik bleek hier niet opgewassen tegen de moderne, zeer intensieve landbouw. De afname in heidegebieden ging wat minder hard, en plaatselijk handhaaft de soort zich hier redelijk in licht vergraste terreinen.

Buiten broedtijd

Een deel van de Nederlandse broedvogels trekt naar Zuidwest-Europa, een deel overwintert in eigen land. Op trek en in de winter verschijnen vooral Scandinavische Veldleeuweriken in ons land. De meeste trek vindt plaats in oktober, wanneer op uitzonderlijke dagen duizenden vogels de trektelposten passeren. De trek is half november grotendeels voorbij, maar zware sneeuwval kan tot diep in de winter voor nieuwe verplaatsingen zorgen. De aantallen overwinteraars lijken jaarlijks te schommelen, maar dat is (naast een gevolg van weerseffecten) deels te wijten aan hun onopvallende gedrag. De eerste noordwaartse trek vindt in zachte winters eind januari plaats, in koude winters veel later, doorgaans meteen na het inzetten van stevige dooi. De voorjaarstrek is eind maart zo goed als afgelopen.