Bosuil

Wetenschappelijke naam

Strix aluco

Engelse naam

Tawny Owl

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

4500-5500 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

vrij groot aantal

Bosuil

Strix aluco

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin januari t/m eind juli

Datumgrenzen

1 januari t/m 10 juli

Tijd van de dag

In schemer en nacht. Meeste roepactiviteit van late avondschemer tot begin nacht.

Aanwijzingen

Roepende vogels, met overige waarnemingen als aanvulling. Baltsroep (vooral februari-april, met opleving in juni) op grote afstand hoorbaar maar wees attent op duetten van mannetje (volle zang) en vrouwtje (ingehouden vorm van territoriumzang). Afspelen/nabootsen van geluid (baltsroep mannetje) vaak succesvol, zeker bij lage dichtheden; pas echter op voor verplaatsingen naar geluid toe (over vele honderden meters mogelijk) en stop onmiddellijk bij reactie. Bedelende uitgevlogen jongen luidruchtig, aanvankelijk dicht bij nest maar binnen enkele weken zich soms over honderden meters verplaatsend.
LET OP: Volwassen (en later uitgevlogen jonge) vogels overnachten in de buurt van de broedplaats (holte, dichte boom, vaak tegen stam aan); aanwezigheid wordt soms verraden door scheldende vogels (lijsters, Gaaien, mezen enz.), poep (opvallend bij sparren: op voet of onderstam), braakballen (onderscheiden zich van Ransuil door veel incomplete schedels en gebroken botjes) en ruiveren. Zulke aanvullende waarnemingen inpassen binnen territoriale waarnemingen.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbezoek, transport voedsel, alarm, pas uitgevlogen jongen) telt altijd.

In geval van adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 1 januari t/m 10 juli

Fusieafstand

500 m

Bijzonderheden

Broedsucces veelal laag. Soort leeft lang en begint bij onvoldoende voedsel vaak niet aan broedsel. Meestal wordt in hooguit een kwart van de territoria een broedsel grootgebracht.

Broedbiologie

Gebonden aan loof- en gemengde bossen met oude bomen. Nestelt in boomholen, grote nestkasten, soms ook op gebouwen, oude nesten van andere middelgrote vogels of (incidenteel) op de grond. Eileg van eind januari tot eind maart, soms nog later. Eén broedsel per jaar, meestal 3-5 eieren, broedduur 28-29 dagen, nestjongenfase 29-35 dagen, jongen na 6-7 weken vliegvlug.

Broedtijd

De Bosuil komt wijd verspreid voor over de beboste delen van het land, met de hoogste dichtheden in oud loofbos. Hij nestelt soms ook in bebouwde omgeving met oude parken en tuinen, evenals in open landschappen met knotwilgen of verspreide plukjes bos. De soort breidde zich in de twintigste eeuw spectaculair uit. Vanaf ongeveer 1960 koloniseerde hij de Hollandse duinen en andere delen van West-Nederland. Na 1975 volgden Noord-Brabant en Drenthe, waar de bossen aanvankelijk te jong waren voor deze holenbroeder. Landelijk is de stand sinds 1990 min of meer stabiel. Jaarfluctuaties houden deels verband met de zangactiviteit. In voedselarme voorjaren slaan veel paren het broeden over en leven ze teruggetrokken.

Buiten broedtijd

Van de aanwezigheid van de broedvogels is meestal weinig te merken. In sommige jaren leeft de roepactiviteit al in nazomer en herfst op. Bosuilen zijn extreme standvogels. Zelfs de jongen blijven doorgaans binnen 10 km van de geboorteplaats. Waarnemingen op grote afstand van de broedgebieden, zoals op de Waddeneilanden, zijn dan ook zeer zeldzaam.