Dodaars

Wetenschappelijke naam

Tachybaptus ruficollis

Engelse naam

Little Grebe

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

4600

Broedpopulatie

1800-2500 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

4600-6100, sep-jan (2009-2014)

Dodaars

Tachybaptus ruficollis

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin maart t/m augustus

Datumgrenzen

10 april t/m 10 juli

Tijd van de dag

Gehele dag, roepactiviteit het hoogst in vroege ochtend en late avond.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen in broedbiotoop, met nadruk op baltsende vogels (hoge triller, veelvuldig in duet tussen partners), paren in broedbiotoop (maken onderling vaak ruzie), bezoek aan nestplaats (nest soms goed zichtbaar, anders te herleiden door in en uit vegetatie zwemmende adult), paren met jongen (met kleine jongen vaak onopvallend, bedelroep van grotere jongen luid). Afspelen van geluid (baltsroep) kan zinvol zijn.
LET OP: Solitaire paren in onoverzichtelijk biotoop kunnen zeer onopvallend zijn. Biotoopkeus zeer gevarieerd (inclusief bosvijver of zelfs gietwaterbassin, soms zeer kleine plasjes); denk dus niet te snel dat een broedgeval uitgesloten is. Mannetje kan jongen verzorgen terwijl vrouwtje volgend legsel bebroedt. Zie ook Bijzonderheden.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, alarm, broedende vogel, pas uitgekomen jongen) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 10 april t/m 10 juli

In overige gevallen (adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop):
moet er 1 waarneming zijn in de periode 30 april t/m 10 juli en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

500 m

Bijzonderheden

Nieuwe vestigingen kunnen het hele seizoen plaatsvinden onder invloed van waterstandschommelingen. Nog in augustus kunnen zich paren vestigen (jongen verschijnen in september).

Broedbiologie

Gebonden aan stilstaande zoete wateren met meestal uitgebreide oevervegetatie (maar soms in heel kale situaties!). Drijvend nest meestal tussen vegetatie. Eileg van begin april tot eind augustus, met piek in mei en begin juni. Eén tot twee (wellicht drie) broedsels per jaar, meestal 5-6 eieren, broedduur 20-21 dagen, jongen na 44-48 dagen vliegvlug.

Tijd van het jaar

Hele jaar, vooral van half augustus tot en met april.

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken

Bijzonderheden

- Vaak solitair of met enkele bijeen, soms ettelijke tientallen
- Weinig midden op open water, vaak langs oever
- Veelvuldig duikend en onder water zwemmend
- Verbergt zich soms achter waterplanten of oevervegetatie, in havens ook langs boten
- Zowel op plassen als brede rustige beken en kanalen (ook in stad)
- Op veel broedplaatsen (vennen) ontbrekend in winter
- Bij vorst tot in kleinste wakjes

Broedtijd

Dodaarzen broeden in het hele land op zoetwaterplassen met veel oeverbegroeiing, tot op kleine vijvers en vennetjes. De landelijke aantallen verschillen soms opmerkelijk van jaar tot jaar. De pieken vallen vaak samen met een reeks van zachte winters in combinatie met neerslagrijke voorjaren. Omgekeerd kelderen de aantallen na strenge winters zoals midden jaren tachtig en negentig, en zijn sommige broedplaatsen ongeschikt in droge voorjaren. De verspreiding in de lage delen van het land kromp in het laatste kwart van de twintigste eeuw door het verdwijnen uit zwaar bemaalde, intensief geschoonde of vervuilde sloten in polderland. De vestiging in nieuwe natte natuur en een toename in natuurgebieden op de zandgronden, door maatregelen om de waterstand hoog te houden, compenseert dit verlies ten dele.

Buiten broedtijd

In de broedgebieden treden in de nazomer concentraties op van soms vele tientallen Dodaarzen. Ze verdwijnen uiterlijk aan het begin van de winter. In de winterperiode verschuift het accent binnen de landelijke verspreiding naar het Deltagebied. Hier overwinteren met name in Oosterschelde en Grevelingenmeer honderden Dodaarzen aan de rand van ondiepe wateren en in haventjes. Bij zacht weer zijn Dodaarzen echter in het hele land te vinden op plassen, kanalen, sloten en traag stromende beken. Strenge vorst dwingt de vogels open water op te zoeken, waardoor het accent nog meer op het Deltagebied komt te liggen, naast het rivierengebied en de Biesbosch. De landelijke aantallen namen sinds midden jaren zeventig eerst af, maar herstelden vervolgens.