Stormmeeuw

Wetenschappelijke naam

Larus canus

Engelse naam

Mew Gull

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

15500

Broedpopulatie

3650-4000 (2016)

Geschat maximum winter/doortrek

210000-480000, jan (2009-2014)

Stormmeeuw

Larus canus

Methode

Nesten tellen of evt. volwassen individuen/paren op broedplaats.

Tijd van het jaar

Half april t/m juli

Datumgrenzen

20 mei t/m 15 juni

Tijd van de dag

Gehele dag of (volwassen individuen/paren) in vroege ochtend, namiddag of vroege avond. In getijdengebieden bij hoog water.

Aanwijzingen

Minimaal eenmaal nesten, paren of volwassen individuen op de broedplaats tellen, bij voorkeur in de tweede helft van mei. Let op voedselvluchten (tot meer dan 10 km van de kolonie) en vogels op potentiële broedplaats. Bij solitaire paren en kleine kolonies kunnen alarmerende paren worden geteld, maar controleer of het inderdaad een broedplaats betreft.
LET OP: Vestigingen tot half juni mogelijk. Door overstroming of verstoring soms verplaatsingen binnen broedseizoen.

Interpretatie

Hoogte aantal nesten, alarmerende paren of volwassen individuen aanhouden (aantal individuen delen door 1,5). Waarnemingen van paren alleen noteren als territorium- of broedindicerend gedrag is vastgesteld. Daarbij de bijbehorende hoge broedcode gebruiken.

Fusieafstand

500 m

Bijzonderheden

Zowel solitair als in kleine en grote kolonies broedend, vaak tussen andere meeuwen (maar enigszins apart in subkolonies). Kan in uitgestrekte kolonies broeden met grote onderlinge afstanden, wat het tellen bemoeilijkt.
Niet-broedende (onvolwassen) vogels kunnen de kolonie als slaapplaats of hoogwatervluchtplaats gebruiken.

Broedbiologie

Meestal in kustgebieden nestelend, maar soms ook tientallen jaren lang in het diepe binnenland. Biotoop: (vrij open) duinen, strandvlakten, kwelders, schorren, op en bij gebouwen, opslagterreinen e.d. en plaatselijk in akker- en grasland (Noordoostpolder!). Nestelt soms op oude kraaien- en duivennesten in niet te hoge (dennen)bomen en op werkkranen.
Eén broedsel per jaar. Meestal 3 eieren, broedduur 24-26 dagen, jongen verlaten nest vanaf vierde dag en zijn na 28-33 dagen vliegvlug. Eileg eind april tot begin juni, met piek begin mei.

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen juli-april.

Tijd van de dag

Van 2 uur voor hoogwater tot 1 uur erna.

Aanwijzingen

- Hoogwatervluchtplaats (HVP) lokaliseren aan de hand van verplaatsingen rond hoogwater
- Oppassen met voorverzamelplaatsen! (vogels verkassen nog)
- Vaak massale aankomst op HVP
- Aanvliegende vogels beter te tellen dan vogels ter plaatse (dichte groepen)
- Deel vogels begint te foerageren bij zakkend water
- Bij grote gebieden ‘met het getij mee’ werken
- In onoverzichtelijke gebieden insteek maken of hoger punt zoeken (maar pas op voor verstoring!)

Bijzonderheden

- HVP op kale zandplaten, kwelders, binnendijkse akkers en graslanden, duinen, pieren, dijken etc.
- Deel van de vogels blijft tijdens hoogwater op open water, soms ver uit de kust, let op onderscheid met Kokmeeuw en (grotere) Zilvermeeuw
- Broedvogels blijven vanaf eind februari grotendeels op broedplaats

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen juli-april.

Tijd van de dag

Van 2 uur na zonsopgang tot 3 uur voor zonsondergang, in getijdengebieden tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- In getijdengebieden verplaatsingen onder invloed van getij

Bijzonderheden

- In groepen tot vele honderden of meer
- Vaak gemengd met andere meeuwen of steltlopers
- Alert reagerend op plotselinge voedselbronnen (geploegde akker, gemaaid of geïnjecteerd grasland), in Rivierengebied soms massaal na overstroming
- Vogels in stedelijk gebied (hoogste aantallen bij strenge vorst) erg verspreid en lastig telbaar

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen juli-april.

Tijd van de dag

Avond: van 2,5 uur voor zonsondergang tot 1 uur erna
Ochtend: van half uur voor zonsopgang tot 1 uur erna
Zowel 's ochtends als 's avonds te tellen

Aanwijzingen

- Slaapplaats lokaliseren door volgen van slaaptrek in avond (richting belangrijk!) of evt. gericht bezoeken van geschikte locaties rond zonsondergang
- Oppassen met voorverzamelplaatsen (vogels verkassen nog)
- Zoek telpunt met goed uitzicht op aan/afvliegende vogels
- Tegenlicht prettig want houdt vogels langer zichtbaar
- Grote slaapplaatsen met meerdere mensen tellen
- Vogels arriveren bij helder weer gemiddeld later dan bij donker weer
- Bij aanvang van telling aanwezige vogels noteren
- Vervolgens aan- of uitvliegende vogels noteren

Bijzonderheden

- Slaapplaats in binnenland meestal op grote open plassen, aan de kust op zandplaten
- Aanvliegende vogels bij slaapplaats gewoonlijk vrij laag, op grotere afstand juist hoog
- Vaak gemengd met andere meeuwen, zowel in vlucht als op slaapplaats
- Gemiddeld op slaapplaats wat later arriverend dan Kokmeeuw
- Broedkolonies fungeren in broedtijd als slaapplaats voor onvolwassen vogels

Broedtijd

Stormmeeuwen broeden vanaf 1908 (Rottum) in ons land. Na de vestiging op de Waddeneilanden koloniseerden ze de Hollandse en Zeeuwse kusten. Kleine aantallen kwamen in het binnenland tot broeden. De populatie nam vooral na 1960 toe en bereikte een top van rond 11.000 paren rond 1980. Sindsdien namen de aantallen af naar minder dan 5000 paren vanaf 2009. De vestiging van de Vos in de vastelandsduinen leidde tot het verdwijnen van de grote kolonies aldaar, met name die bij Schoorl (max. 6500 paren). Dat Stormmeeuwen als reactie op het verschijnen van Vossen hier en daar op gebouwen gingen broeden, bood geen volledige compensatie. Ook de broedpopulatie op de Waddeneilanden neemt vanaf de eeuwwisseling af, terwijl de tientallen paren in het Deltagebied zich relatief goed handhaven. Het voorkomen in het diepe binnenland blijft schaars, al kunnen dergelijke vestigingen tientallen jaren bestaan, zoals bij Budel (NBr) en in de Noordoostpolder.

Buiten broedtijd

In het winterhalfjaar is de verspreiding veel ruimer dan in de broedtijd. Het accent ligt echter nadrukkelijk op het Waddengebied en de graslanden van Noord- en West-Nederland. Bij strenge vorst nemen de aantallen in de graslanden af terwijl ze toenemen in het Waddengebied, langs de Noordzeekust, de Grote Rivieren en in stedelijk gebied. Voor zover er dan wegtrek plaatsvindt, wordt dit gecompenseerd door een intocht van andere vogels. De doortrek kan soms opvallend zijn, maar vindt doorgaans nogal geleidelijk plaats. De meeste trek wordt geconstateerd vanaf juli (kust) of september (binnenland) tot diep in de winter, en in maart-april.