Kievit

Wetenschappelijke naam

Vanellus vanellus

Engelse naam

Northern Lapwing

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

72300

Broedpopulatie

200.000-300.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

560000-710000, nov (2009-2014)

Kievit

Vanellus vanellus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half maart t/m juni

Datumgrenzen

1 april t/m 10 mei

Tijd van de dag

Gehele dag, vooral van enkele uren na zonsopkomst tot in de middag.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen, met nadruk op territoriaal individu (mannetjes maken baltsvluchten, vechten in de lucht, draaien nestkuiltjes, zitten fier rechtop vaak op kleine verhoging in terrein), paren en aanwijzingen voor nest: alarm (incl. afleidingsgedrag), broedende vogel (aan begin broedseizoen goed zichtbaar; meestal broedt het vrouwtje, soms het mannetje).
LET OP: Soort kan semi-koloniaal voorkomen, soms in hoge dichtheden. Trek dan ruim tijd uit om de situatie van afstand te observeren, en ga in eerste instantie uit van broedende vogels en mannetjes (lange kuif) dan wel vrouwtjes (korte kuif) (kies voor de op dat moment talrijkste sekse). Probeer nesten te koppelen aan vogels in de directe omgeving (bijv. broedend vrouwtje koppelen aan dichtstbijzijnd baltsend, wachthoudend of opvliegend mannetje).
Bij kortstondige verstoring in de eifase vliegen de vogels honderden meters weg en wachten totdat de verstoring voorbij is; mannetjes keren vaak het eerst terug (tel aantal naar nestplek terugkerende mannetjes). Als telling op deze wijze onmogelijk is, bijv. door langdurige verstoring: alle individuen tellen (en delen door 1,5).
Niet-broedende vogels in groepjes (aan begin van broedseizoen vooral trekkers, aan einde mislukte broedvogels van elders) buiten beschouwing laten. Paren met kuikens (behalve zeer kleine, begeleid door fel reagerende oudervogels) kunnen al behoorlijke afstanden hebben afgelegd.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (broedende vogel, fel alarm, pas uitgekomen kuikens) telt altijd.

In geval van adult mannetje in broedbiotoop, paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 1 april t/m 10 mei en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

Verplaatsingen binnen broedseizoen, veelal over forse afstanden, komen veelvuldig voor. Legsels worden gestart op kale bodem of in korte vegetatie, en door de gewasgroei is de locatie van de eerste broedpoging later in het seizoen vaak al ongeschikt voor een nieuwe poging. Op maïsakkers mislukken de eerste broedsels massaal wanneer de grond wordt omgeploegd in april; daarna worden vervolglegsels geproduceerd.
Bij verstoring (door waarnemer maar ook andere vestoringsbronnen) pas op de plaats maken, evt. enkele minuten gehurkt gaan zitten totdat drukte in de lucht voorbij is.

Broedbiologie

Broedt in open landschappen, voornamelijk graslanden en bouwland (vooral maïs), ook wel op (geplagde) heide. Eileg van begin maart tot in juni, piek eind maart tot begin mei. Eén tot twee broedsels per jaar, meestal 4 eieren, broedduur 26-29 dagen, jongen (nestvlieders) met 35-40 dagen vliegvlug.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Eind februari tot ver in juni. Legpiek van half maart tot begin mei. Eén broedsel per jaar.

Nesthabitat

Open agrarisch landschap, zowel grasland (gras niet te hoog, grasmat niet te dicht) als bouwland (vooral maïsland, ook wel bieten, zomergranen, stoppels enzovoort). Ook op andere open habitats met lage begroeiing, zoals geplagde heide, spaarzaam begroeide afgraving, open grazige plek in moerassige omgeving.

Nest

Ondiep kuiltje, soms zonder nestmateriaal, vaak ook met wat strootjes.

Aanwijzingen

Broedplaats te lokaliseren door opvallende baltsvluchten. Nestplek te lokaliseren door nestbouw te volgen (man maakt verschillende kuiltjes, vrouw maakt keus; kan verschillende dagen duren) of broedende vogel (meestal vrouw, soms man) van afstand te lokaliseren: zoek zorgvuldig met de kijker, de broedende vogel is vaak goed zichtbaar, soms echter lastig (luchttrillingen, diepere vegetatie, met rug naar waarnemer). Vogel van nest (foeragerend of bezig met verjagen predator; vrouw (te onderscheiden van man aan kortere kuif en doffere rug) van afstand volgen bij terugkeer naar nest (verlegt eieren voordat ze gaat zitten). Nest zelf opzoeken door naar gefixeerde plek te lopen, daarbij oplettend voor opvliegplek van broedende vogel (op korte afstand meteen van nest vliegend, op grotere afstand eerst weglopend). Eventueel met twee personen doen, waarbij de een de ander naar de exacte plek stuurt. In grasland zijn vaak 1-2 tamelijk opvallende looppaadjes herkenbaar over de laatste meters naar het nest. In gebieden met hoge dichtheden kan zorgvuldig koud zoeken naar nesten profijtelijk zijn.

Attentie

Nest en eieren soms goed zichtbaar op vrij kale grond, soms echter lastiger. Altijd heel zorgvuldig zijn en uitkijken waar je je voeten neerzet. Extra attent zijn bij fel aanvallende Kieviten (hebben uitkomende eieren of jongen – kleine jongen drukken zich en zijn vanwege camouflage lastig zichtbaar). Bij koud of nat weer vogels niet lang van het nest houden.

Bijzonderheden

Lokaliseren van broedende vogels vanuit - indien mogelijk - geparkeerde auto vaak goed te doen (vogels minder argwanend dan bij persoon te voet).

Meer informatie

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen half februari-half april en eind juni-half december.

Tijd van de dag

Hele dag.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- Bij grote gebieden of erg veel vogels: in teamverband tellen

Bijzonderheden

- Vooral in groepen tot vele honderden, soms enkele duizenden
- Soms samen met andere steltlopers (Goudplevier) of meeuwen
- Zowel op grasland als akkers en op ondiepe plassen
- Grote pleisterplaatsen vaak jarenlang in gebruik
- Vogels op bouwland lastiger te zien dan op grasland
- Aantallen in winter sterk afhankelijk van vorst

Broedtijd

De Kievit ontbreekt alleen in zwaar beboste gebieden en stedelijke bebouwing. Hij bereikt de hoogste dichtheden in Laag-Nederland in vochtige open graslanden en in Hoog-Nederland in boerenland met een afwisseling van maïsland en gras. Lange tijd wist de Kievit zich aan te passen aan veranderingen in de landbouw. Daardoor breidde hij zijn broedgebied in de eerste helft van de twintigste eeuw uit over delen van Hoog-Nederland. Vanaf ongeveer 1990 nemen de aantallen af in het hele land. De steeds intensievere bedrijfsvoering in agrarisch cultuurland is de hoofdoorzaak, met verlies aan broedgebieden door stadsuitbreiding, nestpredatie en andere factoren als nevenoorzaken.

Buiten broedtijd

Kieviten zijn in allerlei open landschappen te verwachten. Half mei vormen zich groepen mislukte broedvogels. Daarna volgen verschillende trekgolven, waarvan de meest omvangrijke in oktober en november plaatsvinden. Dan zijn misschien wel een miljoen Kieviten in ons land aanwezig. Wat daarvan in de winter aanwezig blijft, hangt af van het weer. Bij zacht weer blijven grote aantallen pleisteren, strenge vorst leidt tot een bijna algehele uittocht. De terugtrek vindt in zachte winters plaats vanaf half februari, na een koude winter enkele weken later; de piek valt onveranderlijk in maart. Landelijke tellingen laten een afname zien, met echter regionale verschillen. Zo namen Kieviten af in vele binnenlandse weidegebieden, maar toe in de Waddenzee en zoute delen van de Delta.