Bruine Kiekendief

Wetenschappelijke naam

Circus aeruginosus

Engelse naam

Western Marsh Harrier

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

1150-1250 (2010)

Geschat maximum winter/doortrek

klein aantal

Bruine Kiekendief

Circus aeruginosus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half maart t/m eind juli

Datumgrenzen

20 april t/m 30 juni

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Bij waarnemingen van paren of individuen in potentieel broedbiotoop (vooral moeras, regionaal ook cultuurland) letten op territorium- of nestindicerend gedrag, bijv. slepen met nestmateriaal, voedseltransport, prooiovergave of pas uitgevlogen jongen.
Jagende vogels kunnen op grote afstand van het nest zijn, maar jagend vrouwtje (vanaf begin juli, jaagt vaak dicht bij nest) kan goede indicatie zijn. Bij hoge dichtheden of twijfel aan aantal vrouwtjes letten op individuele verschillen in kleurpatroon en -intensiteit (tekening kop en bovenvleugel, hoeveelheid grijs bij man) en rui.
LET OP: oppassen voor niet-broedende vogels (veelal in onvolwassen kleed; baltsen soms maar laten zich eenvoudig wegpesten door broedvogels). Baltsend mannetje (vaak op grote hoogte) kan zich op forse afstand van broedlocatie bevinden. Paren kunnen nog vlak voor de eileg van broedlocatie veranderen.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel naar nest, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 20 april t/m 30 juni

In overige gevallen (paar in broedbiotoop):
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 20 april t/m 30 juni en in totaal 3 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

Nesten doorgaans van afstand goed te lokaliseren; benadering nest dan niet meer noodzakelijk. Eventuele benadering alleen vanaf waterkant i.v.m. predatiegevaar. Zeer verstoringsgevoelig! Uitgevlogen jongen blijven wekenlang dichtbij nestplaats.


Broedbiologie

Sterk gebonden aan rietvegetaties, in grootschalige akkergebieden soms in slootranden, koolzaad, luzerne, wintergranen en graszaad. Mannetje brengt voedsel aan tijdens balts, eifase en jongenfase; vrouwtje alleen in late jongenfase. Eileg meest half april-begin mei, in cultuurland later dan in moeras. Eén broedsel per jaar, meestal 3-7 eieren, broedduur 31-36 dagen, jongen vliegvlug vanaf 38-39 dagen (maar in omgeving nest rondklauterend vanaf dag 26, vliegpogingen vanaf dag 30).
Mannetje kan meerdere vrouwtjes hebben, waarbij sommige vrouwtjes niet of pas laat tot broeden overgaan en mislukte vrouwtjes uit het gebied kunnen verdwijnen. Nestafstand kan dan tot enkele kilometers bedragen. Individuele kenmerken van vrouwtjes geven uitsluitsel.

Literatuur

Bijlsma R.G. 1997. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV uitgeverij, Utrecht.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Begin april tot in juli. Legpiek eind april en eerste helft van mei. Eén broedsel per jaar.

Nesthabitat

Doorgaans rietmoeras, variërend van grote rietvelden tot smalle stroken langs bijv. vaarten. Soms ook in grote open landbouwgebieden en dan in granen, luzerne enzovoort.

Nest

Fors nest van riet en takken, meestal gebouwd boven ondiep water, soms op droge bodem, door beide partners gebouwd.

Aanwijzingen

Lokalisatie nestplaats soms eenvoudig, soms lastig. Balts (met hoge langgerekte roep), veelal hoog in de lucht, kan op kilometers van nestplaats uitgevoerd worden. Laagvliegend mannetje met hangende poten bij aanwezigheid van vrouwtje en bedelroep van vrouwtje op de grond (klaaglijk, vrij zacht ‘wèh’wèh’) betere indicaties voor nestplaats. Aanvoer nestmateriaal vooral bij mannetje goed te volgen (vrouwtje wantrouwiger ten opzichte van mensen). Nestlocatie goed peilen maar nog niet bezoeken in bouwfase. Tijdens eileg lijken vrouwtjes een ‘hangbuik’ te krijgen (verschillend van strak in het verenpak zittende individuen). Prooiaanvoer voor broedend vrouwtje (overname prooi in de lucht of op de grond) meestal goed te volgen, maar plek van invallen vaak op platliggende vegetatie te midden van riet of ruigte (en dus niet op nest). Prooiaanvoer in jongenfase eenduidiger (let op van nest opvliegend vrouwtje, door mannetje geroepen met onopvallend piepje). Indringers (grote roofvogels, kraaiachtigen) worden aangevallen door mannetje (weinig dreiging) of beide partners (meer gevaar). Felste aanvallen dicht bij nest. Uitgevlogen jongen blijven nog 3-5 dagen naar het nest terugkomen waar ze nog gevoerd worden. Vliegen na 6-10 dagen ouders met prooi tegemoet, maar prooi wordt dan nog vaak naar het nest gebracht (voor achterblijvers).

Attentie

Verstoringsgevoelig in bepaalde fasen! Blijf weg bij nest tijdens nestbouw of eileg! Beperk ook bezoektijd in latere fase broedcyclus, met name in drogere gebieden, want loopspoor kan worden gevolgd door predatoren. Werk in grote rietvelden met twee personen en telefoon/walkietalkie, waarbij de een op afstand de ander (met stok of vlag, in hoog riet) stuurt naar de plek waar het vrouwtje opgevlogen is.

Bijzonderheden

Mannetje heeft soms verschillende vrouwtjes; let goed op details in verenkleed van zowel mannetje als vrouwtjes. Onvolwassen vogels vanaf half april tot in mei arriverend (broedvogels meestal eind maart/begin april); kunnen voedselterritorium bezetten maar zijn ongepaard, hebben vaak verfomfaaid verenkleed, bestrijken grote oppervlakte en zijn na verloop van tijd weer verdwenen.

Meer informatie

Uitgebreide aanwijzingen in Bijlsma R.G. 1997. Handleiding veldonderzoek Roofvogels. KNNV/Vogelbescherming Nederland/Werkgroep Roofvogels Nederland, Utrecht/Zeist/Appelscha.

Broedtijd

Bijna alle Bruine Kiekendieven broeden in het westen en noorden van het land, merendeels in moerassen maar regionaal ook in akkerland. Op de hogere gronden, waar de soort altijd al schaars was, ontbreekt hij tegenwoordig nagenoeg. De landelijke stand bedroeg rond 1970 slechts 100 paren, een dieptepunt als gevolg van onbedoelde vergiftiging, ontginning van broedgebieden en vervolging. Gestimuleerd door het ontstaan van nieuwe kerngebieden (met name Flevoland), het uitbannen van gevaarlijke pesticiden en afgenomen vervolging herstelde de stand. Na een piek van rond 1400 paren in 1990-2000 namen de aantallen in de meeste regio's weer af. Hierbij spelen factoren mee als verdroging van moerassen, nestpredatie door Vossen, afgenomen voedselaanbod in het boerenland en lokaal oplaaiende vervolging.

Buiten broedtijd

Winterwaarnemingen zijn bijzonder, behalve in Zeeland. Met name in de omgeving van Saeftinghe overwinteren rond een honderdtal Bruine Kiekendieven, merendeels vogels in onvolwassen kleed en vermoedelijk vooral vrouwtjes. Vanaf half maart arriveren de broedvogels en trekken ook noordelijke soortgenoten door. De trek houdt aan tot eind mei, met langs de kust soms stuwing van meer dan 100 vogels per dag bij aflandige winden. De najaarstrek speelt zich af tussen half augustus en begin oktober, met de piek midden september. Onder gunstige omstandigheden kunnen op telposten enkele tientallen trekkers per dag passeren, incidenteel zelfs meer.