Wespendief

Wetenschappelijke naam

Pernis apivorus

Engelse naam

European Honey Buzzard

Rode Lijst :-
Ramsar 1% :-
Broedpopulatie

360-440 (2013-2015)

Geschat maximum winter

-

Geschat maximum doortrek

500-2000 (2008-2012)

Wespendief

Pernis apivorus

Methode

Broedparen lokaliseren

Tijd van het jaar

Eind april t/m eind augustus

Datumgrenzen

20 mei t/m 10 augustus

Tijd van de dag

Van enkele uren na zonsopkomst tot in de avond.

Aanwijzingen

Eigenlijk alleen te inventariseren door controle van bekende oude roofvogelnesten en eventuele nesten van Wespendief uit voorgaande jaren, in combinatie met overige waarnemingen aan het begin van de broedtijd (balts) en langdurige observatie in juli-augustus (voedselvluchten). Interpretatie van waarnemingen anders extreem lastig!

Controle nesten
- Broedt soms op oud nest van andere grote roofvogel. Vaak weinig ophoging van nestrand, tot en met juni worden weinig groene takken aangebracht, daarna meer;
- Broedende vogel drukt zich en is vaak onzichtbaar (oog soms zichtbaar door takkenrand);
- Zelfgebouwde nesten uit voorgaande jaren zijn herkenbaar aan het formaat (kleiner dan Havik en Buizerd, dunnere takken), veelvuldig gebruik van blad als nestmateriaal (in loofbos) en beschaduwde positie;
- Nieuw gebouwde nesten (eigenlijk alleen bij toeval te vinden) veelal bijna onwaarschijnlijk klein.

Overige waarnemingen mei-juni
Voorjaarsbalts is kort, in sommige jaren vrijwel ontbrekend en niet direct aan nestplek gebonden. Let op undulerende ratelroep vlak voor eileg (uitsluitend vlakbij nest).

Waarnemingen juli-augustus
- Ruiveren (schaars, maar kunnen aandacht vestigen op territorium; vliegveren met onregelmatige bandering, kop- en rugdekveren met witte basis en scherpe kleurovergangen haaks op de schacht), echter zie Bijzonderheden.
- Vliegactiviteit in juli en begin augustus geeft idee over aantal broedvogels (en evt. nestomgeving) en niet-broedvogels (aandeel kan hoog zijn). Langdurige observatie vanaf goed uitzichtpunt nodig. Alle exemplaren noteren met details over verenkleed (sekse, tekening, ruipatroon) en vliegrichting (intekenen).
- Speciale aandacht voor voedseltransport naar nest (strakke lijn, intervallen van ca. twee uur; kleine prooi - tegen lichaam geklemd - soms nauwelijks te zien) en herhaaldelijk vanuit dezelfde plek in bos opstijgende vogels. In grote gebieden verschillende observatiepunten uitkiezen.
- Grondige controle van veronderstelde nestlocatie kan nest opleveren (maar vaker frustratie).

Vliegende vogels zonder duidelijke bestemming
Vlinderende vogels in juli-augustus hebben veelal geen nest. Waarnemingen van mannetje wijzen eerder op nabijheid (enkele km) van nest dan die van vrouwtje (kan tot op tientallen km foerageren!).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel naar nest, alarm, afvliegende ouder, jongen op nest) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 20 mei t/m 10 augustus en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

In overige gevallen (adult in broedbiotoop):
moet er 1 waarneming zijn in de periode 20 mei t/m 10 augustus en in totaal 3 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

2000 m

Bijzonderheden

Ruiveren
Niet zelden nabij sperwernest, en dan veroorzaakt door agressie van Sperwer jegens aanwezige Wespendief, en niet per se territoriumindicatief voor Wespendief. Meerdere staartveren bijeen wijzen op schrikrui.

Observatie vliegactiviteit
Ga uit van een waarneemcirkel met een straal van ca. 1,5 km, waarbinnen de meeste activiteit kan worden opgemerkt en een radius van 3 km waarbuiten vogels niet meer kunnen worden ontdekt of gevolgd. Inschatting van afstand is belangrijk bij interpretatie waarnemingen (en traceren nestlocatie) maar lastig; vogel in de regel verder weg dan aangenomen wordt!

Individuele herkenning
Gedetailleerde notities, tekeningen of foto's van verenkleed zijn behulpzaam bij het herkennen van individuen. Bedenk echter dat kenmerken door afstand en ander licht anders kunnen uitzien.

Bij het nest
Nest vaak buitengewoon lastig te vinden, mede door schaarse aanwijzingen: amper poep onder nest (pas in late jongenfase, vaak vergezeld van lege wespenraten, die echter zeer snel verpappen na regen), geen braakballen (deel poep drolvormig en donker, als braakbal), weinig bedelgeluid (jongen laten na uitvliegen hooguit heel zacht geluid horen wanneer ouder met prooi arriveert). Geplukte niet- of net-vliegvlugge jongen (gepredeerd door Havik, vrij gewoon tegenwoordig) zijn overigens een goede indicatie voor een nabij nest!

Buiten broedtijd
Nest na de bladval nog steeds herkenbaar aan overdadig loof op de nestrand (maar pas op voor afgevallen blad). Pas op voor verwarring met Eekhoorn-nest (maar dat is doorgaans bolvorming en in buitenste takken gevestigd).

Broedbiologie

Gebonden aan doorgaans grotere bosgebieden, zowel loof- als naaldhout, vaak met enige afwisseling (o.a. kaalslagen, drassige plekken), soms echter in monotone opstanden, kleine (loof)bosjes of zelfs vrijstaande boom.
Nest in oude boom, vaak tegen stam, soms in kroon. Eileg eind mei tot half juni. Eén broedsel per jaar, vrijwel steevast 2 eieren, broedduur 30-35 dagen, nestjongenperiode 35-40 dagen. Jongen worden nog ongeveer 14 dagen na het uitvliegen verzorgd door het mannetje (vrouwtje vaak al vertrokken), en blijven daarna nog enige tijd in het broedgebied alvorens ook weg te trekken.
Het is normaal dat slechts een deel (40%) van de populatie tot eileg overgaat.

Literatuur

Bijlsma R.G. 1997. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV uitgeverij, Utrecht.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Half mei tot eind half augustus, legpiek eind mei en in juni. Eén broedsel per jaar.

Nesthabitat

Overwegend grotere bossen (meer dan 100 ha) met voorkeur voor gemengd bos of loofbos, soms echter in kleinere bossen in bosrijke gebieden.

Nest

Hergebruikte roofvogelnesten (Buizerd, Havik), maar meestal zelfgebouwde nesten. Hergebruikte nesten vaak (maar niet altijd) met opvallend veel vers loof (broedende vogel soms vrijwel onzichtbaar). Nieuwe nesten aanzienlijk kleiner (vogel puilt soms over rand heen), eveneens met veel vers groen. Nest zowel tegen hoofdstam aan als in kruin of op zijtakken weg van hoofdstam, bijna altijd goed afgeschermd tegen middagzon. Nestbouw door beide partners. Zelfgebouwde nesten uit een vorig broedseizoen zijn te herkennen aan kleiner formaat dan Havik of Buizerd, gebruik van dunnere takken en aanwezigheid van verdorde bebladerde takken (blad valt niet af in najaar) in zowel basis als op de rand. Eekhoornnest is doorgaans minder groot en boller van vorm, maar wel met verdord blad.

Aanwijzingen

Check alle bekende oude roofvogelnesten (mei-juli), met extra aandacht voor nesten die een jaar eerder gebouwd werden maar toen niet bezet waren (inclusief flodderig ogende nieuwbouw met veel loof). Bezetting van nest doorgaans lastig vast te stellen (weinig alarm, geen prooiaanvoer in eifase, amper donsjes op nest of uitwerpselen onder nest). Broedende vogel vaak lastig zichtbaar en vast zittend, maar kijkt over/door nestrand (alleen heldergele iris zichtbaar) of reageert op schop tegen stam met harde vleugelklap en langzaam draaiende beweging met gespreide vleugel op nest (doet geen andere roofvogel). Breng vliegbewegingen eind juli/begin augustus bij mooi weer systematisch in kaart vanaf hoog punt (boomtop, brandtoren), met specifieke aandacht voor individuele herkenning (verenkleed, geslacht, rui, slijtage). Let vooral op vogel die bos induikt (plek fixeren, kan goed om foerageerplek gaan), prooiaanvoer (na opschroeven in rechte lijn naar nest, kleine prooien echter moeilijk zichtbaar indien strak tegen lichaam gehouden) en vlindervlucht (mogelijk indicatief indien laag boven boomtoppen, onbruikbare waarneming indien hoog in de lucht uitgevoerd). Nest vinden doorgaans hele klus. Ratelroep (in toonhoogte undulerende klepper; weinig te horen maar vrijwel altijd bij nest), ruiveren (weinig slag/staartpennen en dan binnen hele activiteitsgebied, enkele kleinere veertjes in omgeving nest) en prooiresten (wespenraten) soms behulpzaam. Bedelende uitgevlogen jongen (bij vroeg gestarte paren, alleen bij prooiaanvoer kortstondig roepend; overslaande onzuivere ‘flieuw’) leiden soms alsnog naar (inmiddels verlaten) nest. Controle na bladval kan eveneens nest alsnog onthullen (en dan jaar later controleren).

Attentie

Soort niet bijzonder verstoringsgevoelig (en nestelt soms vlak langs pad), maar pas op in bouw- en legfase.

Bijzonderheden

Specialistenwerk! Vliegbewegingen in kaart brengen is zeer tijdrovend en soms lastig te interpreteren (grote en overlappende activiteitsgebieden, hoog aandeel niet-broedende vogels), zoeken naar nesten op grond van vliegbewegingen vaak frusterend (nest lastig te vinden en vogel soms honderden meters onder boomtopniveau naar nest vliegend).

Meer informatie

Uitgebreide aanwijzingen in Bijlsma R.G. 1997. Handleiding veldonderzoek Roofvogels. KNNV/Vogelbescherming Nederland/Werkgroep Roofvogels Nederland, Utrecht/Zeist/Appelscha.