Smient

Wetenschappelijke naam

Anas penelope

Engelse naam

Eurasian Wigeon

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

14000

Broedpopulatie

10-20 (2008-2011)

Geschat maximum winter/doortrek

680000-920000, nov-jan (2009-2014)

Smient

Anas penelope

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half april t/m eind juli

Datumgrenzen

15 mei t/m 10 juli

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Paren en volwassen individuen (vooral zich verdacht gedragende wijfjes) in broedbiotoop (duinmeren, kwelder met zoetwaterplas, voormalige eendenkooien, moeras) met kijker volgen en letten op territorium- of nestindicerend gedrag: duidelijk paargedrag (partners dicht bijeen, zonderen zich af van eventuele andere Smienten en verjagen deze), bezoek aan potentiële broedplaats (man vergezelt vrouwtje als ze uit vegetatie komt, vooral 's avonds), alarm (vrouwtje vliegt nerveus rond of simuleert verlamming), pulli (worden alleen door wijfje geleid). Vrouwtje dat bij verstoring wegzwemt of kort wegvliegt en terugkeert naar geschikte broedplek is verdacht.
LET OP: Overzomeraars, zeker in kustgebieden, niet zeldzaam. Vogels in groepen niet meetellen, evenals duidelijke gevallen van overzomering (geen territoriaal gedrag, evt. afwijkend biotoop bijv. open grasland). Verzwakte overwinteraars blijven soms overzomeren en kunnen zich heimelijk gedragen en zelfs alarmeren.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (broedende vogel, fel alarm, pas uitgekomen kuikens) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 15 mei t/m 10 juli

Fusieafstand

1000 m

Documentatie

Zekere broedgevallen zijn schaars (in tegenstelling tot vage aanwijzingen voor broeden). Graag uitgebreide documentatie geven met hoogste broedcode. Geef door indien het vermoeden bestaat van ontsnapte vogels.

Bijzonderheden

Bij vermoeden van tamme origine van broedvogels (bijv. uit eendenkooi ontsnapte lokvogels) gegevens toch insturen, met toelichting. Let op conditie vogel (aangeschoten? geleewiekt?). Doortrek tot in mei.

Broedbiologie

Nest ligt meestal nabij de waterrand (maar soms tot 250 m ervandaan) in vegetatie verstopt, vaak onder struiken of jonge bomen, soms meer open. Eileg in mei en begin juni. Eén broedsel per jaar, meestal 7-9 eieren, broedduur 23-25 dagen, jongen na 40-45 dagen vliegvlug.

Tijd van het jaar

Augustus tot in mei, hoogste aantallen november-maart.

Tijd van de dag

Van 2 uur na zonsopkomst tot zonsondergang, in getijdengebieden tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken (plas-dras)
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken

Bijzonderheden

- Meestal in groepen tot enkele honderden of meer
- Vaak samen met andere eenden, zowel tijdens foerageren (zwemeenden) als rusten (alle soorten)
- Foerageert langs kust op kwelder/schor, in binnenland vooral op grasland
- Rustende vogels op open water of (deels) langs oevers
- Vogels in begroeiing lastig te tellen
- In sommige gebieden duidelijke verplaatsingen van rustplaatsen overdag (water) naar foerageerplekken ’s nachts (polder)
- Kleine aantallen overzomerend, enkele paren komen tot broeden

Broedtijd

Jaarlijks hangen er in de broedtijd enkele tientallen paartjes Smienten rond in ons land. Het is onduidelijk of hierbij ook vogels betrokken zijn die uit gevangenschap ontsnapt of losgelaten zijn. Maar het is wel aannemelijk dat het voor een groot deel om overzomeraars gaat, want zekere broedgevallen zijn zeldzaam. De jaarlijks waargenomen aantallen schommelen sterk, met enige suggestie van toename. Vrijwel alle broedgevallen worden geconstateerd in waterrijke poldergebieden in het westen en noorden van het land, inclusief het rivierengebied.

Buiten broedtijd

Smienten zijn het talrijkst in de maanden november tot en met maart, maar per winter treden er verschillen op. Bij de inval van strenge vorst en zware sneeuwval vertrekt een deel van de vogels naar Engeland of Frankrijk, in zachte winters blijven grote aantallen bij ons. Concentraties treden op zowel nabij zoute wateren (Waddengebied, deel van Deltagebied) als zoete wateren (open graslandpolders). De landelijk getelde aantallen namen tot ongeveer 1990 toe maar dalen weer vanaf 2000. De recente daling staat waarschijnlijk in verband met een verschuiving van de winterverspreiding binnen Noordwest-Europa. Door gemiddeld zachtere winters blijft een deel van de vogels noordelijker overwinteren.