Kneu

Wetenschappelijke naam

Linaria cannabina

Engelse naam

Common Linnet

Rode Lijst

Gevoelig

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

40.000-50.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

groot aantal

Kneu

Linaria cannabina

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin april t/m eind juli

Datumgrenzen

25 april t/m 20 juli

Tijd van de dag

Vooral in de ochtend, controle van 'kolonies' ook later.

Aanwijzingen

Zang (maar zie hieronder), paren in broedbiotoop (vaak semi-koloniaal nestelend), en aanwijzingen voor nest (vooral transport van nestmateriaal en regelmatige pendelvluchten naar bijv. bepaalde struik; voedsel wordt in krop vervoerd).
LET OP: soort is nauwelijks territoriaal (mannetje schermt vrouwtje af, maar verdedigt geen duidelijk territorium) en zang is van wisselende betekenis (zowel op broedplaats als foerageerplaats als op de vlucht daarnaartoe). Meest bruikbaar is zingende man in geschikt broedbiotoop na eind april (zit dan veelal binnen enkele meters van broedend vrouwtje). Doortrekkers (tot in mei) treden doorgaans in groepjes op en zingen veelvuldig; tel groepjes met zingende vogels alleen mee indien ze zich in broedbiotoop ophouden. Foerageervluchten tot vele honderden meters van nestplaats! Families met uitgevlogen jongen verplaatsen zich binnen enkele dagen naar voedselrijke terreinen.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
bij 1-12 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 25 april t/m 20 juli
bij 13+ geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 25 april t/m 20 juli

Fusieafstand

500 m

Bijzonderheden

Vaak is het niet onmiddellijk duidelijk of een groepje nu broedvogels ter plaatse betreft dan wel trekkers of broedvogels uit de omgeving. In twijfelgevallen is minimaal een half uur posten, en nauwkeurig letten op bijv. pendelbewegingen of bezoek van struiken, uitermate zinvol; dit kan heel goed geschieden later op de dag, na afloop van de reguliere inventarisatie.

Broedbiologie

Broedt in allerlei landschappen met dichte struiken, veelal kleinschalig agrarisch cultuurland (maar daar tegenwoordig sterk geclusterd voorkomend vanwege algehele kruidenarmoede), maar ook jonge aanplant, oude struikheide met opslag en soms stedelijke bebouwing (tuinen, jonge groenvoorziening). Eileg van half april tot eind juli, met piek tussen eind april en half juni. Twee tot drie broedsels per jaar, meestal 4-6 eieren, broedduur 12-13 dagen, nestjongenperiode 12-17 dagen, jongen worden na uitvliegen nog enige tijd begeleid.

Broedtijd

Kneuen komen in grote delen van het land voor, maar zijn het talrijkst in gebieden met veel bouwland en kruidenvegetaties in Noord-Nederland, Flevoland en Zeeland. Aaneengesloten bos wordt gemeden, het voorkomen in stedelijk gebied is doorgaans schaars en voorbehouden aan nieuwbouwwijken met veel groen. De landelijke verspreiding veranderde weinig sinds 1975. De aantallen kelderden echter. Efficiëntere landbouwmethoden zorgden voor voedselgebrek en verminderde nestgelegenheid.

Buiten broedtijd

Vanaf half juli vormen zich groepen op voedselrijke plekken. Half september begint de trek, waarbij ook vogels uit noordoostelijker landen passeren. De doortrekpiek valt in de eerste helft van oktober, waarna de trek eind oktober grotendeels voorbij is. In de winter zijn Kneuen niet dik gezaaid en vooral te vinden bij de schaarse voedselrijke plekken in agrarisch cultuurland. De eigen broedvogels vertoeven dan in Zuidwest-Europa of Noord-Afrika. De voorjaarstrek begint meestal half maart en piekt rond half april. Begin mei passeren de laatste trekkers.