Ringmus

Wetenschappelijke naam

Passer montanus

Engelse naam

Eurasian Tree Sparrow

Rode Lijst

Gevoelig

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

50.000-150.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

groot aantal

Ringmus

Passer montanus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half maart t/m juni

Datumgrenzen

1 april t/m 15 juni

Tijd van de dag

Vooral in de ochtend.

Aanwijzingen

Paren in broedbiotoop (zie Broedbiologie), zang (doorgaans vlakbij nesthol) en aanwijzingen voor nest: nestbouw (nest zelf herkenbaar aan uit nestopening hangende strootjes en veren), alarm, transport van voedsel en ontlastingspakketjes (beide partners).
LET OP: geen duidelijk territoriaal gedrag (behalve in directe omgeving nest), neiging tot losvaste kolonies. Daarom vaak moeilijk te bepalen om hoeveel paren het gaat. Voedselvluchten over honderden meters; voedselzoekende vogel zegt dus niets (maar volg de vogel wanneer deze in rechtlijnige vlucht vertrekt). Groepsbalts komt minder voor dan bij Huismus, mannetjes brengen kort voordat vrouwtje tot eileg overgaat veel tijd door nabij nesthol.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
bij 1-6 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 1 april t/m 15 juni
bij 7-13 geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 1 april t/m 15 juni
bij 14+ geldige bezoeken: 3 waarnemingen waarvan 1 in de periode 1 april t/m 15 juni

Fusieafstand

200 m

Bijzonderheden

Broedbiologie

Broedt tegenwoordig vooral in agrarisch cultuurland met veel kleine landschapselementen, weinig meer in bossen (vooral randen), regionaal ook aan randen van dorpen en steden. Benut bestaande holen, zowel in bomen (ingerotte plekken, spechtenholen) als anderszins (holtes in schuurtjes, nestkasten, oeverzwaluwnesten, randen van grote nesten zoals van Blauwe Reiger, Ooievaar, Havik en Buizerd). Eileg van begin april tot begin augustus, vooral half april tot eind mei. Een tot drie broedsels per jaar, meestal 3-7 eieren, broedduur 11-14 dagen, nestjongenperiode 15-20 dagen.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Begin april tot ver in augustus. Legpiek half april tot in juli. Twee tot drie broedsels per jaar.

Nesthabitat

Voornamelijk in halfopen agrarisch gebied met houtwallen, boomgaarden en schuurtjes, soms ook in directe omgeving van woonhuizen (en dan min of meer samen met Huismus). Broeden in grotere bossen tegenwoordig zeldzaam.

Nest

In holte in boom of muur, onder brug of in nestkast met voldoende grote opening (ca. 3 cm). Soms (voorheen) ook in basis van grote nesten (roofvogels, reigers) of in oeverzwaluwkolonie. Incidenteel nesten in dichte heggen. Nestbouw door beide partners, vooral vrouwtje. Slordig fors nest met veel strootjes, mos en veren. Vrijstaande nesten groot, met dakje en ingang aan zijkant; nesten in holen gewoonlijk zonder dakje (maar in nestkast vaak weer wel).

Aanwijzingen

Veelal in kleine en luidruchtige kolonies broedend. Solitaire nesten veel moeilijker te vinden; let op nestbouw (aanvoer strootjes en veren opvallend, vindt ook tijdens bebroeding plaats en tussen verschillende broedsels in), alarmroepjes (afgebeten ‘ tett’) en voedselaanvoer voor nestjongen. Bij kolonie alle geschikte holtes inspecteren (lampje, tandartsspiegeltje) , solitaire nesten soms te vinden door voorzichtig afkloppen van geschikte bomen en andere plekken (vogel vaak stil van nest).

Attentie

Verstoringsgevoelig in eifase. Oppassen met nestjongen; grotere jongen hebben de neiging uit het nest te springen.

Bijzonderheden

Geschikte broedplekken worden vaak jarenlang hergebruikt.

Meer informatie

Broedtijd

Ringmussen broeden vooral in kleinschalig boerenland met relatief veel bouwland. Ze mijden grote bossen en zeer open gebied, en bewonen in steden alleen de randen. De verspreiding kende de afgelopen tientallen jaren zowel uitbreiding (drooggelegde IJsselmeerpolders) af inkrimping (vooral West-Nederland). De aantallen namen in de jaren zestig en zeventig in sommige biotopen toe (duinen, bos), maar kenden sindsdien in heel Nederland een sterke afname. Deze wordt grotendeels veroorzaakt door efficiëntere bedrijfsvoering in de landbouw, leidend tot voedselgebrek en krapte aan nestgelegenheid. Diep in bos broedende Ringmussen (die een flinke afstand moeten afleggen tot voedselgebieden) zijn nagenoeg verdwenen.

Buiten broedtijd

Een klein deel van onze Ringmussen trekt over korte afstand weg, de meeste blijven hier te lande. De verspreiding verandert binnen het jaar dan ook weinig. Vooral in oktober treedt doortrek op van noordelijke en oostelijke vogels op, in dichte en snel vliegende groepen. De terugtrek, vooral eind maart en in april, verloopt in de meeste regio's onopvallend.