Kauw

Wetenschappelijke naam

Corvus monedula

Engelse naam

Western Jackdaw

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

180.000-220.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

zeer groot aantal

Kauw

Corvus monedula

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half februari t/m eind juni

Datumgrenzen

1 maart t/m 10 mei

Tijd van de dag

Gehele dag, maar in verband met voedsel- en slaapvluchten vooral in de ochtend.

Aanwijzingen

Paren (samen optrekkend en nestplek verdedigend), naast aanwijzingen voor nest: waakzaam individu bij nestplek (vrouwtje zit vaak nestplek te bewaken), transport van nestmateriaal of voedsel (mannetje voert broedend vrouwtje op nest en verzorgt groot deel van voedselvoorziening jongen). Soort kan zowel solitair broeden (dan veelal weinig opvallend) als in kolonies (bosjes met veel nestgelegenheid, oude torens, kerken, kastelen), in bebouwde omgeving veelal in losse clusters.
LET OP: voedsel en nestmateriaal wordt soms op grote afstand van het nest gehaald, let dus op waar de vogels naartoe gaan. Groepjes niet-broedende vogels bezoeken soms kolonies; deze vogels niet meetellen (ga uitsluitend uit van paren en verdachte individuen).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 1 maart t/m 10 mei

Fusieafstand

300 m

Bijzonderheden

Soort bezoekt jaarrond gemeenschappelijke slaapplaatsen, maar broedvogels overnachten in het broedseizoen op de nestplek. Kolonies in bos vaak lastig te tellen. Meest geschikt is periode eind februari-half april (voor het bebladerd raken van de bomen), kort na zonsopkomst. Vogels vliegen dan enige tijd in formatie door en boven het bos, om later in de ochtend naar voedselgebieden te gaan.

Broedbiologie

Broedt (schaars) in bossen met grote holen (vooral beukenbos met holen Zwarte Specht, soms op open nest in roekenkolonie) maar vooral in bebouwde omgeving, soms ook in de grond in konijnenholen. Eileg van eind maart tot eind eind mei. Eén broedsel per jaar, meestal 4-7 eieren, broedduur 16-19 dagen, nestjongenperiode 30-35 dagen, jongen worden nog tot 4 weken na uitvliegen gevoerd.

Broedtijd

Door het hele land zijn broedende Kauwen te vinden. Ze zijn het talrijkst in stedelijk gebied (vooral oudere wijken) en kleinschalig boerenland. Grote aaneengesloten bossen worden gemeden, terwijl open landschappen en natuurgebieden soms wel, soms ook niet bezet zijn. Sinds ongeveer 1975 breidde de soort zich uit over delen van Zeeland en Flevoland, waar hij eerst ontbrak. Tegelijkertijd namen de aantallen in kleine bossen af, deels misschien door onrust en predatie door Haviken. De landelijke stand is al tientallen jaren min of meer stabiel.

Buiten broedtijd

Onze eigen Kauwen blijven vrijwel unaniem in eigen land. Doortrek van oostelijke en noordelijke Kauwen is vooral in de tweede helft van oktober opvallend. Een deel blijft bij ons overwinteren en sommige vogels vertonen kenmerken van Noordse Kauw (C. m. monedula) of Russische Kauw (C. m. soemmerringii), hoewel de verschillen subtiel zijn. Er zijn enige aanwijzingen dat zulke vogels in afnemende mate in ons land verblijven. De voorjaarstrek vindt vooral in maart en de eerste helft van april plaats.