Grauwe Klauwier

Wetenschappelijke naam

Lanius collurio

Engelse naam

Red-backed Shrike

Rode Lijst

Bedreigd

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

400-470 (2015)

Geschat maximum winter/doortrek

zeer klein aantal

Grauwe Klauwier

Lanius collurio

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half mei t/m augustus

Datumgrenzen

20 mei t/m 20 juli

Tijd van de dag

Gehele dag (maar zang vooral 's ochtends).

Aanwijzingen

Alle waarnemingen noteren, met speciale aandacht voor zang en aanwezigheid paar (mei-juni). Vanaf half mei tot eind juli letten op nestbouw en voedseltransport. Van half juni tot half augustus letten op (luidkeels bedelende) uitgevlogen jongen. Deze blijven enige tijd bij het nest; zwervende paartjes met jongen hebben binnen 1 km gebroed, bij een solitaire adult met een aantal jongen moet men voorzichtiger zijn.
LET OP: Paarvorming vindt doorgaans snel plaats, zonder noemenswaardige zang en balts. Tijdens het broeden onopvallend, vooral solitaire paren zijn dan moeilijk te vinden. Omgekeerd kan het lastig zijn om in clusters met hoge dichtheden het aantal te bepalen. Mannetje verzorgt vrouwtje tijdens de eileg (voedering buiten nest), tijdens het broeden en als de jongen klein zijn (voedering op nest); beide vogels voeren grote nestjongen en uitgevlogen jongen. Jacht tijdens zonnig en warm weer vaak hoog, bij koud en nat weer worden prooien laag bij de grond bejaagd. Wees attent op ongepaarde mannetjes (zie Bijzonderheden).
Braakballen en witte poepsporen onder vaste zitposten (struik) en opgeprikte muizen, jonge zangvogels, kikkers, hagedissen en insecten zijn aanwijzing voor aanwezigheid. Paren broeden soms dicht bij elkaar, gunstige broedplaatsen vaak jarenlang bezet. Doortrek en aankomst tot half juni.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd. Pas echter op met solitaire mannetjes, die voedsel kunnen opprikken als voorraad. Let op fusie-afstand, maar bedenk dat de nesten in optimale situaties op 60 m afstand van elkaar kunnen zitten.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 20 mei t/m 20 juli

In overige gevallen (adult in broedbiotoop):
moet er 1 waarneming zijn in de periode 10 juni t/m 20 juli en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

500 m

Bijzonderheden

Gepaarde mannetjes hebben doorgaans een kleine actieradius (<100 m). Ongepaarde mannetjes zijn doorgaans opvallend, zingen en roepen veelvuldig en verplaatsen zich snel door het terrein; let op de boomtoppen! Ze kunnen tot eind juni nog gepaard raken. Bij een broedgeval kan de soort vaak lastig te vinden zijn (kruipt bij nadering van mensen in struik)! Langdurige en nauwkeurige observatie van afstand met kijker/telescoop, alvorens het terrein te betreden, is vaak lonend, evenals (na verlaten van terrein) over de schouder terug kijken.

Broedbiologie

Gebonden aan halfopen tot open landschappen met opslag, doornstruiken enz. Zowel in natuurterreinen (hoogveen, heide en duinen met opslag) als extensief agrarisch cultuurland. Broedt in struik (meestal doornstruik) of boom, zelden hoger dan 4 meter. Eileg van begin mei tot half juni, maar paren van eerder mislukte nesten kunnen tot eind juli nieuwe pogingen doen. Eén (succesvol) broedsel per jaar, meestal 4-7 eieren, broedduur 13-14 dagen, nestjongenperiode 12-16 dagen, familieverband kan nog 3 weken intact blijven na uitvliegen.De laatste jongen kunnen nog rond 23 augustus het nest verlaten.

Literatuur

van Berkel J.B.J.M. 1993. Het inventariseren van Grauwe Klauwieren. Het Vogeljaar 41: 256-265.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Half mei tot in augustus. Legpiek eind mei en in juni. Eén succesvol broedsel per jaar. Soms drie pogingen na mislukken van het nest.

Nesthabitat

Heide, agrarisch cultuurland, verbost moeras en duinen met doornige struiken en opslag, vaak met bloemrijk grasland en wat open zand en water in de omgeving. Ook wel in dichte jonge (sparren)aanplant.

Nest

Nest goed verborgen (dichte bramen) tot relatief open (bijna solitaire boompjes). Hoogte meestal 1-4 m boven de grond, soms echter zeer laag (tot 20 cm) of hoog (tot 7 m in solitaire grove dennen). Fors nest, lijkend op van een lijster (vooral Zanglijster, maar dan zonder klei). Nestbouw wordt gestart door mannetje (takjes, stroo) en voltooid door vrouwtje (mos, voering).

Aanwijzingen

Lastige soort door late aankomst (nieuwe vestigingen tot eind juni mogelijk), vaak onoverzichtelijke habitat en onopvallend gedrag (weinig zang, schuw). Kan lokaal in hoge dichtheid voorkomen. Vogels in onoverzichtelijk terrein moeilijk te volgen; probeer hoger punt te vinden maar blijf op gepaste afstand. Nestplek lokaliseren door van afstand nestbouw te volgen. Vrouwtje wordt door mannetje in de buurt van het nest gevoerd voorafgaand aan eileg (let op witte poepjes op struiken met uitstekende dode takken) en op nest tijdens eifase en vroege jongenfase. Alarmerende vogels van begin juni tot half augustus (in bomen of struiken, zwaaiend met staart, ‘tsjek-tsjek’ roepend) hebben meestal (grotere) nestjongen. Deze worden gevoerd door beide partners. Alternatief voor langdurige observatie - bij weinig aanbod van nestgelegenheid - is: systematisch afzoeken van geschikte struwelen (kijk tegen licht in en controleer alle wat grotere nesten). Hierdoor zijn ook eerder gepredeerde nesten te vinden bij late broedsels.

Attentie

Soort is verstoringsgevoelig in bouw- en legfase; blijf op veilige afstand en bezoek de nestplek niet. Zenuwachtig mannetje, druk rondvliegend, roepend (kras) en staart spreidend kan erop duiden dat waarnemer te dicht bij het nest is bij nestbouw en paarvorming; vergroot de afstand. Schijnaanval op waarnemer duidt op grote nestjongen; blijf dan weg bij het nest want de kans op voortijdig afspringen is groot. Vrouwtje op nest blijft vaak erg vast zitten; maak wat herrie of schud zachtjes aan de struik zodat ze rustig weg kan. Ga niet met de hand naar haar toe, dan knalt ze geschrokken van het nest. Controleer het nest als je er zeker van bent dat het vrouwtje uit de buurt is. Vogel die op korte afstand van de waarnemer ‘ bevriest’ (soms met voer) geeft aan dat nest binnen enkele meters ligt.

Bijzonderheden

Ongepaarde mannetjes zingen en roepen veel in mei-juni, broedvogels zijn dan juist erg stil. Sommige broedplaatsen vele jaren achtereen bezet. Let op kleurringen en meld zulke vogels aan Stichting Bargerveen (info@bargerveen.nl).

Meer informatie

Broedtijd

Het merendeel van de Nederlandse Grauwe Klauwieren broedt in structuurrijke heide- en veengebieden en in kleinschalig agrarisch landschap. De verspreiding kent zwaartepunten in Drenthe, delen van de Veluwe en Zuid-Limburg. De oorspronkelijk ruime verspreiding in de duinstrook, inclusief de Waddeneilanden, was omstreeks 1985 nagenoeg opgelost; pas rond 2010 begon de soort zich hier weer mondjesmaat te vestigen. Ook op de hoge gronden kwam de Grauwe Klauwier in de eerste helft van de twintigste eeuw veel verspreider voor dan tegenwoordig, ondanks enig recent enig herstel. De Nederlandse broedpopulatie telde begin twintigste eeuw mogelijk enkele duizenden paren, maar nam na 1950 scherp af naar een dieptepunt van rond 100 paren in 1985, voor een groot deel gehuisvest in één reservaat (Bargerveen Dr). De afname is het gevolg van een enorme verarming van het insectenleven (voedsel) in zowel natuurgebieden als agrarische landschappen, verergerd door het verdwijnen van kleine landschapselementen. Het recente deelherstel naar enkele honderden paren houdt verband met lokaal gunstig terreinbeheer maar is ook onderdeel van een internationaal proces.

Buiten broedtijd

Aprilwaarnemingen zijn uitzonderlijk. Meestal verschijnen Grauwe Klauwieren niet voor half mei op de broedplaatsen. Echte doortrek vindt weinig plaats, wel zwerven vogels op zoek naar een broedplek door het land en houden zich tijdelijk op in geschikte biotopen. De wegtrek in zuidoostelijke richting begint in juli en is eind augustus of begin september grotendeels voorbij. Een enkeling is nog tot diep in oktober te zien.