Staartmees

Wetenschappelijke naam

Aegithalos caudatus

Engelse naam

Long-tailed Tit

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

30.000-40.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

groot aantal

Staartmees

Aegithalos caudatus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin februari t/m eind juli

Datumgrenzen

1 maart t/m 31 mei

Tijd van de dag

Gehele dag, vooral in de ochtend.

Aanwijzingen

Paar in broedbiotoop (vooral waarnemingen in april belangrijk) en aanwijzingen voor nest: nestbouw (nest vooral in vroege voorjaar vaak goed zichtbaar), alarm (drukke variant van pruttelende contactroep; o.a. bij Gaai in omgeving nest), transport van voedsel of ontlastingspakketje (beide partners).
LET OP: paarvorming vindt plaats in (territoriale) wintergroepen die over vele tientallen hectares (soms meer dan 100) rondzwerven. Paren zonderen zich aan het eind van de winter/vroege voorjaar geleidelijk meer van groep af en gaan op zoek naar nestplek. Soort heeft geen duidelijk ontwikkeld territoriaal gedrag (behalve rond eileg, vlakbij nest) en kent evenmin duidelijke zang. Uitgevlogen jongen kunnen flinke omzwervingen maken met hun ouders. Jongen met korte staartjes zijn uit de directe omgeving afkomstig, jongen met staartjes die voor meer dan tweederde volgroeid zijn kunnen van elders zijn.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 1 maart t/m 31 mei

Fusieafstand

500 m

Bijzonderheden

Veel nesten zitten opvallend of worden door het opvallende aan- en afvliegen van ouders verraden aan predatoren. Nesten die succesvol zijn, leveren echter veel jongen op! Voerende ouders worden niet zelden bijgestaan door een of meer volwassen vogels (met familieband), wat het uitvliegsucces en de overleving van uitgevlogen jongen verhoogt.

Broedbiologie

Broedt in allerlei bostypen en andere landschappen met veel struiken of dichte jonge bomen. Eileg van eind maart tot half mei, piek in april. Eén broedsel per jaar, meestal 8-12 eieren, broedduur 12-14 dagen, nestjongenperiode 18-19 dagen, jongen worden na uitvliegen nog minstens 2 weken gevoerd.

Broedtijd

Staartmezen zijn op de hoge gronden gewone broedvogels in bossen, tuinen en parken met voldoende ondergroei. In het westen en noorden van het land bleef het voorkomen lange tijd grotendeels beperkt tot de duinen, moerasbos en stedelijk gebied. In het laatste kwart van de twintigste eeuw heeft de soort zich hier uitgebreid dankzij uitbreiding van steden en bosaanplant in voorheen open landschap. De soort lijkt weinig last te hebben van koude winters, tenzij die met veel ijzel gepaard gaan. De landelijke aantallen namen om onbekende redenen af in de jaren negentig en schommelen sindsdien op lager niveau.

Buiten broedtijd

Nederlandse Staartmezen zijn standvogels die buiten de broedtijd rondzwerven in familiegroepjes. Ze komen dan mondjesmaat ook in gebieden waar ze niet broeden, vooral in oktober. De Noord-Europese ondersoort Witkopstaartmees, met geheel witte kop en scherp afgetekende nekband, verschijnt slechts bij uitzondering in ons land. Overigens broeden heel wat witkoppige Staartmezen bij ons; groepen van uitsluitend witkoppige vogels (duidend op Witkopstaartmees) zijn zeldzaam. Een enkele keer vindt een heuse invasie van Witkopstaartmezen plaats, zoals in 2010/11.