Kramsvogel

Wetenschappelijke naam

Turdus pilaris

Engelse naam

Fieldfare

Rode Lijst

Gevoelig

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

15-40 (2014)

Geschat maximum winter/doortrek

zeer groot aantal

Kramsvogel

Turdus pilaris

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin maart t/m juli

Datumgrenzen

10 maart t/m 30 juni

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Waarnemingen van paren of individuen in broedbiotoop (meestal halfopen cultuurland), speciale aandacht voor zang (echter ook door trekkers voortgebracht), nestbouw, transport voedsel en uitwerpselen (opvallend, maar voedsel soms op honderden meters gehaald) en fel alarm bij kraaiachtigen en roofvogels. In 'kolonies' voor de bladgroei uitkijken naar nesten (als Merel, maar blonder vanwege overjarige grassen, vaak hoog en opvallend in boomvork of op zijtak, maar ook wel lager en dan goed verstopt; staart steekt vaak over de rand). Foeragerende vogels niet meetellen, maar uiteraard volgen indien ze met voer wegvliegen.
LET OP: Groepjes eind maart en in april betreffen meestal trekkers maar zijn in geschikt broedbiotoop de moeite van een later controlebezoek waard. Doortrekkers soms tot ver in mei, en vanaf eind mei rondzwervende niet-broedvogels (laag profiel, geen fel alarm). Vestiging van solitaire paren (die zich heimelijk kunnen gedragen) soms tot in juni (vervolgbroedsels?). Paren met jongen alleen meetellen indien jongen korte staartjes hebben (vogels met vrijwel volgroeide staarten kunnen forse afstand afgelegd hebben).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 10 maart t/m 30 juni

In overige gevallen (paar in broedbiotoop):
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 15 mei t/m 30 juni

Fusieafstand

500 m

Documentatie

Soort is na een periode van vestiging (jaren zeventig) en bloei (jaren tachtig) weer op zijn retour. Per geval hoogste broedcode aangeven.

Bijzonderheden

Soort gedraagt zich weinig territoriaal, vandaar dat bijv. zangwaarnemingen weinig zeggingskracht hebben in verband met broeden. Kolonies kunnen plotseling verlaten zijn na mislukking van de broedsels, zulke vogels wellicht verantwoordelijk voor late vestigingen elders.

Broedbiologie

In Nederland vooral broedend in singels (beekdalen), hoogstamboomgaarden, maar ook wel parkachtige omgeving, wilgenbos etc. Nest doorgaans in loofboom (graag populier), soms in naaldboom. Eileg eind maart tot in juni, piek in april. Een tot twee broedsels per jaar, meestal 4-6 eieren, broeddduur 10-13 dagen, nestjongenperiode 12-16 dagen, jongen zijn na ca. 30 dagen zelfstandig.

Broedtijd

Tot 1974 was de Kramsvogel een incidentele broedvogel in Nederland. Daarna vestigden zich snel groeiende aantallen, eerst in Zuid-Limburg en daarna ook elders. Deze ontwikkeling volgde op de kolonisatie van onder andere het Rijnland (Duitsland) en de Ardennen (België). Ze was het resultaat van een al lang bekende westwaartse uitbreiding van het Europese broedgebied. Op het hoogtepunt van de kolonisatie van Nederland, rond 1986, telde ons land zo'n 800 broedparen. Op sommige locaties in Zuid-Limburg nestelden tientallen paren op korte afstand van elkaar. Daarna kwam er om onbekende redenen de klad in. De aantallen stortten vrijwel volledig in, ook in de eerder goed bezette gebieden. Ook de grote broedpopulatie in de Ardennen neemt af.

Buiten broedtijd

Grote aantallen Kramsvogels van Noord-Europese herkomst overspoelen ons land in trektijd en winter. Ze zijn overal in het land te vinden, vooral op graslanden en op besdragende struiken in zowel natuurgebieden (duinen!) als stedelijk gebied. De herfsttrek loopt hoofdzakelijk van eind september tot diep in november, en vooral in oktober passeren soms tienduizenden Kramsvogels de trektelposten aan de kust. Zware sneeuwval of strenge vorst, in Nederland of ten noordoosten van ons, leidt in de winter tot nieuwe verplaatsingen. Zulke vogels ontvluchten ons land of trekken naar de steden. Dit verklaart ten dele de opvallende jaarlijkse verschillen in getelde winteraantallen. De voorjaarstrek begint, afhankelijk van het weer, in februari of de eerste helft van maart. Na een piek eind maart en begin april loopt de trek begin mei af. Zomerwaarnemingen zijn tegenwoordig schaars, na het vrijwel verdwijnen van de Nederlandse broedpopulatie.