Tapuit

Wetenschappelijke naam

Oenanthe oenanthe

Engelse naam

Northern Wheatear

Rode Lijst

Bedreigd

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

270-310 (2015)

Geschat maximum winter/doortrek

vrij groot aantal

Tapuit

Oenanthe oenanthe

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half maart t/m eind juli

Datumgrenzen

15 april t/m 31 juli

Tijd van de dag

Meest actief in de ochtend.

Aanwijzingen

Waarnemingen van paar of individu in geschikt biotoop noteren, met nadruk op zang (vaak vanaf opvallende zitplaats of in baltsvlucht), nestbouw, verdacht of alarmerend individu bij potentiële nestplaats (mannetje vaak op de uitkijk terwijl vrouwtje op eieren of kleine jongen zit), voedseltransport en pas uitgevlogen jongen.
LET OP: Ongepaarde mannetjes gedragen zich veel opvallender (vliegen veel rond tussen zangposten, zingen veel in vlucht) dan gepaarde vogels (vaak langdurig op vaste uitkijkpost zittend, laten zich niet verdrijven). Fanatieke zang in juni duidt meestal op een ongepaarde vogel. Pas op voor late doortrek, soms massaal in mei en tot in juni (lang nadat broedvogels begonnen zijn met eileg), maar ook voor vroege doortrek eind juli. Trekkers kunnen gepaard lijken (tweetal), maar zingen doorgaans niet, gedragen zich niet nerveus bij benadering door waarnemer en houden zich veelal op in ongeschikt biotoop (cultuurland); soms bakkeleien ze met lokale broedvogels, maar ze zijn niet plaatsgebonden.
Bij twijfel de potentiële broedplaats meermalen bezoeken en letten op alarm. Ga zitten op plek met overzicht (bijv. duintop), maar met voldoende afstand tot aanwezige vogels. Ouders met voer veelal gemakkelijk te volgen naar het nest (soms gemarkeerd door poepjes en sporen in het zand), tenzij ze alarmeren (vergroot dan de afstand tot de vogel).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 15 april t/m 31 juli

In overige gevallen (adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop):
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 10 juni t/m 31 juli

Fusieafstand

200 m

Documentatie

Bij broedgevallen buiten bekende gebieden (Waddeneilanden, Hollandse duinen, heidevelden Drenthe/Zuidoost-Friesland) in ieder geval hoogste broedcode doorgeven.

Bijzonderheden

Na sterke achteruitgang (door vergrassing, verstruiking, afname Konijn) vrijwel verdwenen uit het binnenland m.u.v. noordelijke provincies. Duinstrook zuidelijk van IJmuiden eveneens vrijwel ontruimd.

Broedbiologie

Gebonden aan open gebieden met veel kale grond, veelal open duinen, zandverstuivingen en zandige of geplagde heide, ook wel op industrieterein etc. Nestelt in holte, vaak in de grond (o.a. konijnenhol), maar soms in stobben van gekapte bomen, tussen losse stenen e.d. Eileg half april tot eind juni, met piek (eerste broedsel) eind april en eerste helft mei. Eén tot twee broedsels per jaar, meestal 4-6 eieren, broeddduur 13-14 dagen, nestjongenperiode 13-15 dagen.

Broedtijd

In de broedtijd zijn Tapuiten bijna alleen nog te vinden in de duinstrook ten noorden van het Noordzeekanaal, op de Waddeneilanden en in stuifzand- en heidegebieden op de grens van Friesland en Drenthe. Broedgevallen elders zijn zeldzaam geworden. De verspreiding rond 1975 was veel ruimer, in het bijzonder in de zuidhelft van het land. De aantallen kelderden van ruim 2000 paartjes rond die tijd naar minder dan 300 sinds de eeuwwisseling. Heide- en stuifzandgebieden raakten ongeschikt door vergrassing of vermossing van de bodem. Konijnen, belangrijke leveranciers van nestholen, werden gedecimeerd door ziektes. Grootschalig herstel van stuifzand leidde met name op het Aekingerzand tot een (tijdelijke?) opbloei van de aantallen.

Buiten broedtijd

De broedgebieden worden vanaf eind maart (kust) of half april (binnenland) bezet en uiterlijk in september verlaten. Doortrekkende Tapuiten van noordelijke herkomst kunnen talrijk zijn tijdens de najaarstrek, van half augustus tot begin oktober, en de voorjaarstrek, eind april en in mei. Trekgroepjes houden zich dan vaak in agrarisch cultuurland op. De iets grotere Groenlandse ondersoort leucorrhoa trekt door ons land maar is alleen in de hand met zekerheid te onderscheiden.