Grote gele kwikstaart

Wetenschappelijke naam

Motacilla cinerea

Engelse naam

Grey Wagtail

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

290-360 (2015)

Geschat maximum winter/doortrek

klein aantal

Grote Gele Kwikstaart

Motacilla cinerea

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin maart t/m eind juni

Datumgrenzen

10 april t/m 20 juni

Tijd van de dag

Gehele dag, maar zang vooral 's ochtends.

Aanwijzingen

Waarnemingen van paar of (verdacht) individu in geschikt biotoop (snelstromend water), speciaal letten op zang (vooral maart-april, zowel van zitplaats - graag een gebouw - als in baltsvlucht), alarm en transport van nestmateriaal, voedsel of uitwerpselpakketje. Evt. systematische controle van bruggetjes, stuwtjes, watermolens, brokkelige oevers en andere geschikte broedplaatsen op nesten (veelal in nis); controle van speciaal opgehangen nestkasten.
LET OP: Lang broedseizoen (tm juli), waarbij uitgevlogen jongen al vanaf half mei op andere plaatsen opduiken (herkenbaar aan bleek gele kleuren, worden weggejaagd). Vogels voorafgaand aan eileg en vanaf halverwege nestjongenfase opvallend en vaak roepend, maar tijdens bebroeding en kleine nestjongenfase zeer stil. Nesten kunnen op meer dan 100 m van stromend water gelegen zijn. Incidenteel broeden meer paren op hetzelfde gebouw. Onervaren waarnemers moeten bij nestvondst kritisch blijven (verwarring met nest Witte Kwikstaart of Roodborst). Broedvogels foerageren tot op 100-en meters van nest. Kleine ronde witte poepjes op stenen, slikjes en brugleuningen geven aanwijzing omtrent voorkomen. Vrouwtje kan meedoen aan territoriumverdediging.
Besteedt op ongewone locaties (buiten bekende broedgebieden) extra aandacht: gaat het om een solitaire vogel (man blijft lang zingen) of een paar?

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 10 april t/m 20 juni en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

500 m

Documentatie

Broedgevallen buiten bekende broedgebieden (Twente, Achterhoek, Veluwe, Zuid- en Midden-Limburg; tegenwoordig ook zuidoostelijk Noord-Brabant) goed documenteren, met per datum hoogste broedcode.

Bijzonderheden

Soms langs smalle (<2 m) beken broedend, indien open water met slik- of kiezelstrandjes in de omgeving aanwezig is. Frequent in bebouwde omgeving nestelend, maar broedvogels kunnen zich uitermate onopvallend gedragen.

Broedbiologie

Nestelt doorgaans vlakbij stromend water in een nis in muur of onder brug, boomwortels in brokkelige oevers en graag in speciaal ontworpen nestkasten. Regelmatig ook op 10-tallen m of nog meer van stromend water aan grotere gebouwen. Nestplaatsen zijn vaak van jaar op jaar bezet.
Eileg eind maart tot half juli, met piek (eerste broedsel) april en begin mei. Twee broedsels per jaar, incidenteel drie; meestal 4-6 eieren, broedduur 11-14 dagen, nestjongenperiode 12-13 dagen; nestjongen na uitvliegen eerste broedsel vaak door man verzorgd (vrouw bezig met tweede broedsel).

Broedtijd

De Grote Gele Kwikstaart nestelt langs snelstromende beken in natuurlijke oevers of onder bruggen en aan gebouwen. Het merendeel broedt in Twente, de oostelijke Achterhoek en Zuid-Limburg, maar vooral na series zachte winters zijn ook elders broedgevallen mogelijk. In Noord-Brabant is deze soort duidelijk in opmars. Hoewel niet precies bekend is waar onze broedvogels overwinteren, kan dat niet ver weg zijn. Strenge en koudere winters, zoals midden jaren tachtig en negentig, en ook weer rond 2010, zorgen namelijk voor forse inzinkingen. De stand heeft na een aderlating verschillende jaren nodig om te herstellen.

Buiten broedtijd

In de winter zijn Grote Gele Kwikstaarten te vinden langs snelstromende beken in vooral Limburg (deels eigen broedvogels), maar vooral ook in steden en dorpen waar ze op platte daken een gewone verschijning zijn (vogels van elders). De overwinteraars verdwijnen in maart, wanneer ook de weggetrokken broedvogels weer terugkeren. De doortrek houdt aan tot in mei en vanaf juni kunnen uitgevlogen jongen rondzwerven. De najaarstrek, die in vergelijking met het voorjaar veel grotere aantallen omvat, speelt zich hoofdzakelijk tussen half september en eind oktober af. De meeste trekkers worden gezien langs de Zuid-Hollandse en Zeeuwse kust en langs de oostgrens.