Graspieper

Wetenschappelijke naam

Anthus pratensis

Engelse naam

Meadow Pipit

Rode Lijst

Gevoelig

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

70.000-80.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

groot aantal

Graspieper

Anthus pratensis

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin maart t/m juli

Datumgrenzen

1 april t/m 30 juni

Tijd van de dag

Zang vooral in de ochtend, maar soort ook overdag redelijk goed te karteren.

Aanwijzingen

Zang (zowel vanaf de grond als in parachutevluchtje, zangactiviteit in mei-juni vaak groter dan in maart-april), volwassen individu in broedhabitat (vooral alerte vogel op kleine verhoging in terrein, kan goed een broedend vrouwtje zijn dat even van het nest is), alarm (vanaf uitkijkpost, duidelijk tweelettergrepig i.t.t. contactroep, wordt vaak langdurig en met interval van enkele seconden ten gehore gebracht), transport van voedsel of uitwerpselpakketjes (beide partners).
LET OP: vooral in april (en tot begin mei) massale doortrek van noordelijke vogels. Deze houden zich veelal groepsgewijs op, waarbij sommige individuen kunnen zingen. Dergelijke groepen/groepjes uiteraard buiten beschouwing laten bij broedvogelinventarisatie. Broedvogels vertonen in aanwezigheid van waarnemer soms een soort van afleidingsgedrag: fladderen nerveus voor de waarnemer uit en strijken telkens weer neer, om na 30-100 m terug te keren naar de vermoedelijke nestlocatie.
Weinig ervaren tellers dienen in halfopen landschappen rekening te houden met verwarring met Boompieper (zie aldaar).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
bij 1-9 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 1 april t/m 30 juni
bij 10-13 geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 1 april t/m 30 juni
bij 14+ geldige bezoeken: 3 waarnemingen waarvan 1 in de periode 1 april t/m 30 juni

In overige gevallen (adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop):
bij 1-9 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 15 mei t/m 30 juni
bij 10-13 geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 15 mei t/m 30 juni
bij 14+ geldige bezoeken: 3 waarnemingen waarvan 1 in de periode 15 mei t/m 30 juni

Fusieafstand

300 m

Bijzonderheden

Broedbiologie

Broedt in allerlei open gebieden, zowel agrarisch cultuurlandschap als meer natuurlijke landschappen (kwelder, heide etc.). Eileg van midden april tot eind juli, vooral in mei. Een tot drie broedsels per jaar, meestal 4-6 eieren, broedduur 11-15 dagen, nestjongenperiode 10-14 dagen, jongen worden na uitvliegen nog 2-3 weken verzorgd.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Half april tot eind juli. Legpiek van eind april tot half juni. Twee broedsels per jaar.

Nesthabitat

Open landschap met lage en dichte grasmat (ook kwelders/schorren) of jonge heide.

Nest

Goed verborgen grondnest onder pollen gras, in heide enzovoort. Nestbouw door vrouwtje. Nest bestaat uit strootjes met soms wat mos, kom van kleinere strootjes en haar.

Aanwijzingen

Baltsvlucht van mannetje geeft territorium aan, maar zang valt stil gedurende eifase. Nestbouw vaak wel te volgen, maar bezoek aan plek dan af te raden. Terugkeer naar nest van broedend vrouwtje (ongeveer om de 40 minuten, begeleid door mannetje) opvallend; let op wanneer vrouwtje vegetatie induikt en mannetje vertrekt. Nestplek vaak alleen bij benadering te bepalen; zoek na enige tijd (zodat vrouwtje vast op eieren zit) omgeving voorzichtig af en por met stok zachtjes in pollen vegetatie om vrouwtje op te stoten. Fel alarmerende vogels (beide ouders, zenuwachtig herhaalde tweedelige roepjes) zijn opvallend; ze hebben doorgaans nestjongen of pas uitgevlogen jongen. Eventueel lang touw met twee personen door uniforme grasmat slepen, en opletten waar vogel opvliegt.

Attentie

Niet bijzonder storingsgevoelig, maar wel argwanend ten opzichte van indringers in nestomgeving. Houd voldoende afstand aan, anders durven vogels niet naar nest terug te gaan. Ga niet naar nest in bouwfase (noteer wel precieze locatie) en pas op met controles in de jongenfase, omdat het nest bijzonder goed verborgen kan zijn en dan niet verraden wordt door een van het nest vliegend vrouwtje.

Bijzonderheden

Bij bezoeken in eifase goed opletten voor ei van Koekoek (ongeveer zelfde tekening en pigmentering, maar groter en boller). Graspieper is een van de meest gebruikelijke waardvogels van Koekoek.

Meer informatie

Broedtijd

Graspiepers in boerenland broeden vooral in gebieden met een hoog aandeel bouwland en een grote lengte aan dijken en slootranden; hoge dichtheden in graslandgebieden komen tegenwoordig alleen nog voor bij wat extensiever grondgebruik. Ze nestelen ook in open heide- en duingebieden, op kwelders/schorren en in stedelijk gebied soms op braakliggende gronden. De verspreiding nam sinds 1975 duidelijk af in kleinschalige en verstedelijkte landschappen. De landelijke aantallen schommelen, met inzinkingen na winters die tot diep in de Zuidwest-Europese overwinteringsgebieden doordringen.

Buiten broedtijd

Het hele jaar door zijn Graspiepers in Nederland aanwezig. In de winter betreft het vermoedelijk vooral Scandinavische vogels, de onze trekken merendeels naar Zuidwest-Europa. De soort is vooral talrijk in de trektijd. De voorjaarstrek begint in zachte winters eind februari, in koudere winters wat later, maar bereikt steevast zijn piek half april. Bij Breskens passeren soms tienduizenden exemplaren per dag, maar ook in het binnenland is de Graspieper in het voorjaar een van de algemeenste trekkers. Hetzelfde is het geval tijdens de najaarstrek, die tussen eind september en half oktober op zijn hoogtepunt is. In zachte winters blijven grote aantallen bij ons overwinteren, in strenge winters is de soort veel schaarser.