Scholekster

Wetenschappelijke naam

Haematopus ostralegus

Engelse naam

Eurasian Oystercatcher

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

9000

Broedpopulatie

80.000-130.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

180000-210000, aug-okt (2009-2014)

Scholekster

Haematopus ostralegus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin april t/m eind juni

Datumgrenzen

30 april t/m 10 juni

Tijd van de dag

Gehele dag, in getijdengebieden afhankelijk van getijdenritme (rond hoogwater).

Aanwijzingen

Paren in broedbiotoop, territoriaal gedrag ('tepiet'ceremonie, vlindervlucht) en aanwijzingen voor nest: broedende vogel (in lage vegetatie vaak goed zichtbaar; schijnbroeden komt echter regelmatig voor), aanvoer van voedsel (kuikens worden door ouders gevoerd i.t.t. andere steltlopers), paar met niet-vliegvlugge jongen.
LET OP: Vooral in kustgebieden, maar ook in het binnenland, houden zich veel vogels op die niet aan het broedproces deelnemen. Niet-broedvogels vertoeven in dichte groepjes, kennen geen binding aan een deel van het terrein en houden er ander activiteitspatroon op na (sozen). In gebieden met hoge broeddichtheden uitgaan van paartjes en losse vogels; vervolgens aanwezige groepjes opdelen in paren, maar alleen als het om kleine groepjes gaat (hooguit 6 ex.) die waarschijnlijk ter plaatse broeden. Bij extreem hoge dichtheden (delen Waddengebied): alle individuen tellen en delen door 1,5.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (broedende vogel, fel alarm, pas uitgekomen kuikens, voedseltransport) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 30 april t/m 10 juni en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

Paren zijn soms langdurig op een plek aanwezig, voorafgaand aan de eileg, om vervolgens enkel honderden meters verderop een legsel te starten. Late broedsels (eileg in juni, jongen nog in augustus gevoerd) zijn in Waddengebied eerder regel dan uitzondering. Zulke waarnemingen vallen buiten de datumgrenzen maar tellen uiteraard mee (nestindicatieve waarneming telt immers altijd).

Broedbiologie

Broedt zowel in kuststreken (hoogste dichtheden op kwelders) als in binnenland (agrarisch cultuurland, zowel grasland als akker), meestal op de grond, soms op daken. Eileg van half april tot eind juni. Eén broedsel per jaar, meestal 3-4 eieren, broedduur 24-27 dagen, jongen (nestvlieders) vliegvlug na 32-35 dagen.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Begin april tot in augustus. Legpiek half april tot eind mei. Eén broedsel per jaar.

Nesthabitat

Open en schaarsbegroeid terrein, zowel aan kust (kwelders/schorren, strandvlakte, jonge duinen) als binnenland (grasland, bouwland, afgraving, recente natuurontwikkeling enzovoort). Geregeld ook op platte daken.

Nest

Ondiep kuiltje in de grond, soms open en bloot, soms redelijk verstopt tussen lage vegetatie. Nestkuiltje kaal of met enige schelpen, plantenresten, kiezels, algen of afval.

Aanwijzingen

Broedplaats te lokaliseren door luid roepende vogels (‘ tepiet’). Nestplek te lokaliseren door nestbouw te volgen (beide partners krabben kuiltje uit) of broedende vogel van afstand te lokaliseren: zoek zorgvuldig met de kijker, de broedende vogel is vaak goed zichtbaar, soms echter lastig (luchttrillingen, diepere vegetatie, met rug naar waarnemer). Vogel van nest van afstand volgen bij terugkeer naar nest; loopt vaak gehaast en wat gebukt, verlegt eieren bij het gaan zitten. Nest zelf opzoeken door naar gefixeerde plek te lopen, daarbij oplettend voor opvliegplek van broedende vogel (op korte afstand meteen van nest vliegend, op grotere afstand eerst weglopend). Eventueel met twee personen doen, waarbij de een de ander naar de exacte plek stuurt. In grasland bij langer bebroede nesten vaak 1-3 opvallende looppaden over de laatste 2-5 meters. In gebieden met hoge dichtheden kan zorgvuldig koud zoeken naar nesten profijtelijk zijn.

Attentie

Nest en eieren soms goed zichtbaar op vrij kale grond, soms echter lastiger. Altijd heel zorgvuldig zijn en uitkijken waar je je voeten neerzet. Extra attent zijn bij fel aanvallende vogels (hebben uitkomende eieren of jongen – kleine jongen drukken zich en zijn vanwege camouflage lastig zichtbaar). Bij koud of nat weer vogels niet lang van het nest houden.

Bijzonderheden

Lokaliseren van broedende vogels vanuit - indien mogelijk - geparkeerde auto vaak goed te doen. Oppassen voor schijnbroeden: naar het nest terugkerende vogel gaat, indien bespied,, soms in broedhouding op een willekeurige plek zitten.

Meer informatie

Tijd van het jaar

Hele jaar

Tijd van de dag

Van twee uur voor hoogwater tot hoogwater

Aanwijzingen

- Hoogwatervluchtplaats (HVP) lokaliseren aan de hand van verplaatsingen rond hoogwater
- Oppassen met voorverzamelplaatsen! (vogels verkassen nog, soms lopend)
- Vaak massale aankomst op HVP
- Aanvliegende vogels beter te tellen dan vogels ter plaatse (dichte groepen). Tel dichte groepen eventueel tweemaal en neem gemiddelde
- Tijdens hoogwater vaak rustend in dichte grote groepen
- Deel vogels begint te foerageren bij zakkend water
- Bij grote gebieden ‘met het getij mee’ werken

Bijzonderheden

- HVP vaak op kale zandplaten, kwelders (vaak langs randen en bij monding van slenken), poldergraslanden, duinweiden, kaal bouwland
- Deel vogels kan buiten de grote groep overtijen (indien op grote schaal: HVP-telling combineren met gebiedstelling)
- Soms samen met andere steltlopers of meeuwen
- Bij lage vloed en ijsvorming op wad wordt HVP veel minder bezocht
- Bij erg hoge waterstanden vaak langere tijd binnendijks.

Tijd van het jaar

Hele jaar (kust) of maart-augustus (binnenland).

Tijd van de dag

Van 2 uur na zonsopgang tot 2 uur voor zonsondergang, in getijdengebieden tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- Bij grote gebieden of erg veel vogels: in teamverband tellen
- In getijdengebieden verplaatsingen onder invloed van getij

Bijzonderheden

- Vooral in groepen tot enkele tientallen, soms vele honderden of duizenden
- Soms samen met andere steltlopers of meeuwen
- Foerageert op grasland en akkers, langs oevers etc.
- Sozen (rustplaatsen) vaak jarenlang op dezelfde plek
- Verplaatsingen van foerageerplaatsen naar sozen (en in getijdengebied naar hoogwatervluchtplaats)

Tijd van het jaar

Hele jaar, in binnenland hoogste aantallen maart-april.

Tijd van de dag

Avond: van 2 uur voor zonsondergang tot 1 uur erna.
Ochtend: van 1 uur voor zonsopgang tot 2 uur erna.
Beste tellen in avond (deel vogels kan zich ’s nachts verplaatsen naar foerageergebied of HVP)

Aanwijzingen

- Slaapplaats lokaliseren door volgen van slaaptrek in avond (richting belangrijk!) of evt. gericht bezoeken van geschikte locaties rond zonsondergang
- Oppassen met voorverzamelplaatsen (vogels verkassen nog)
- Zoek telpunt met goed uitzicht op aan/afvliegende vogels
- Tegenlicht prettig want houdt vogels langer zichtbaar
- Grote slaapplaatsen met meerdere mensen tellen
- Vogels arriveren bij helder weer gemiddeld later dan bij donker weer
- Bij aanvang van telling aanwezige vogels noteren
- Vervolgens aan- of uitvliegende vogels noteren

Bijzonderheden

- Slaapplaatsen in waterrijke gebieden met ondiep water en kale oevers of kribben van rivieren
- Maakt gebruik van voorverzamelplaatsen die pas laat worden verlaten. Opletten dus!
- Aankomende vogels (vaak in luidruchtige groepen tot enkele tientallen) vliegen vaak enige tijd rond alvorens neer te strijken
- Tijdens ‘paniekvluchten’ gaan soms alle vogels de lucht in, om na enige tijd weer in te vallen (geeft de kans om de genoteerde aantallen te checken)
- Komen tot in duisternis aan (laat arriverende vogels opvallend stil).

Broedtijd

Scholeksters broeden in natuurgebieden, boerenland en bebouwing en ontbreken alleen in bosrijke streken en kleinschalig cultuurlandschap. De verreweg hoogste dichtheden huizen in het westen en noorden van het land, vooral op kwelders maar meer regionaal ook in open polders met een afwisseling van gras- en bouwland. De Scholekster breidde zijn broedgebied in de twintigste eeuw sterk uit richting binnenland. Sinds ongeveer 1985 nemen de aantallen sterk af. De oorzaken daarvoor liggen zowel in de broedtijd als winter. Broedvogels brengen vooral in het intensief gebruikte boerenland te weinig jongen groot, terwijl overwinteraars kampen met voedselgebrek.

Buiten broedtijd

In het binnenland broedende Scholeksters zijn doorgaans afwezig in het winterhalfjaar. Ze overwinteren in het Wadden- en Deltagebied, samen met aldaar broedende Scholeksters, of trekken weg naar Zuidwest-Europa (jonge vogels). Onder de overwinteraars in Nederland vallen veel slachtoffers bij lang aanhoudende strenge vorst. Dan kan ook massale vorsttrek optreden. De landelijk getelde aantallen nemen vanaf ongeveer 1985 af. Voedselgebrek treedt op door overbevissing van mosselbanken (Waddengebied) en het verdwijnen of ongeschikt worden van droogvallende platen (Deltagebied).