Zilvermeeuw

Wetenschappelijke naam

Larus argentatus

Engelse naam

Herring Gull

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

14400

Broedpopulatie

42.000-46.000 (2015)

Geschat maximum winter/doortrek

110000-180000, jan-feb (2009-2014)

Zilvermeeuw

Larus argentatus

Methode

Nesten tellen, evt. volwassen paren/individuen tellen op broedplaats.

Tijd van het jaar

Half april t/m juli

Datumgrenzen

20 mei t/m 15 juni

Tijd van de dag

Gehele dag of (volwassen paren/individuen) in vroege ochtend, namiddag of vroege avond. In getijdengebieden bij hoog water.

Aanwijzingen

Minimaal eenmaal nesten, paren of volwassen individuen (vanaf 4e jaars) op broedplaats tellen, bij voorkeur in tweede helft van mei. Let op voedselvluchten (tot meer dan 10 km van de kolonie) en vogels op potentiële broedplaats. Bij solitaire paren en kleine kolonies kunnen alarmerende paren worden geteld, maar controleer of het inderdaad broedplaats betreft (bebouwing). Bepaal bij gemengde kolonies (meestal met Kleine Mantelmeeuw) vanaf een hoog punt het aantal per soort aan de hand van de verhouding van aanwezige broedvogels (handtellertje is erg gemakkelijk!). Doe dat bij voorkeur op verschillende dagen in het weekeinde, wanneer weinig vissersschepen actief zijn. De eieren van beide soorten zijn in het veld niet met zekerheid van elkaar te onderscheiden en voedsel, nestbouw en nestplaats bieden evenmin voldoende aanknopingspunten. Zie ook Bijzonderheden.
Vestigingen tot begin juni mogelijk. Door overstroming of verstoring soms verplaatsingen binnen broedseizoen.

Interpretatie

Hoogte aantal nesten, alarmerende paren of volwassen individuen aanhouden (aantal individuen delen door 1,5).Waarnemingen van paren alleen noteren als territorium- of broedindicerend gedrag is vastgesteld. Daarbij de bijbehorende hoge broedcode gebruiken.

Fusieafstand

500 m

Bijzonderheden

Wees alert op gemengde broedparen van Kleine Mantelmeeuw, Zilvermeeuw en Geelpootmeeuw. Niet-broedende (onvolwassen) vogels kunnen de kolonie als slaapplaats of hoogwater vluchtplaats gebruiken. Groepen onvolwassen vogels niet meetellen. In bepaalde gebieden oppassen voor verstoring van nesten van Eider; wanneer toevalligerwijs wijfjes van het nest worden gejaagd moet het nest worden afgedekt door de nestrand over de eieren te leggen.

Broedbiologie

Voornamelijk in kustgebieden broedend (tot op enkele tientallen kilometers van kust), schaars dieper landinwaarts. Biotoop: (vrij open) duinen, strandvlakten, kwelders, schorren, op dijken, op en bij gebouwen (ook midden in steden), opslagterreinen e.d.
Eén broedsel per jaar. Meestal 2-3 eieren, broedduur 26-32 dagen, jongen vliegvlug na 35-49 dagen. Eileg van eind april tot eind juni, met piek begin mei.

Literatuur

van Bruggen J. 2009. IJking van methoden om kolonies Kleine Mantel- en Zilvermeeuwen te tellen. SOVON-Nieuws 22(3): 8.
Hälterlein B., Fleet D., Henneberg H., Mennebäck T., Rasmussen L., Südbeck P., Thorup O. & Vogel R. 1995. Anleitungen zur Brutbestandserfassung von Küstenvögeln im Wattenmeerbereich. Wadden Sea Ecosystem No. 3. Common Wadden Sea Secretariat, Trilateral Monitoring and Assessment Group for Breeding Birds, Wilhelmshaven.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Half april tot eind juli. Legpiek in mei en eerste helft juni. Eén broedsel per jaar.

Nesthabitat

Voornamelijk in kustgebied, zowel op natuurlijke plekken (kwelders/schorren, duinen met lage vegetatie, onbewoonde eilandjes) als kunstmatige plekken met lage of spaarzame vegetatie (industrie- of bouwterrein), geregeld ook op platte daken van fabrieken enzovoort.

Nest

Grondnest, soms nogal open maar ook wel te midden van vegetatie (maar minder gebruikelijk dan bij Kleine Mantelmeeuw), eventueel op kalere plek tussen lage struiken. Nest vaak fors bouwsel van stro, wier, ander plantenmateriaal, mos en niet zelden afval.

Aanwijzingen

Meestal in kolonies of met enkele paren bijeen broedend, soms samen met andere meeuwen of met sterns; incidenteel solitair broedend. Luidruchtig gedrag op broedplaats bij kolonie onmiskenbaar (maar pas op voor aanwezigheid niet-broedende vogels). Broedende vogels bij afzoeken van terrein (kijker) deels zichtbaar, maar let op meer verstopte nesten (kop of staartpunt broedende vogel zichtbaar). Nesten in kleine kolonies bij bezoek onopvallend markeren (of intekenen op gedetailleerde veldkaart) om bij later bezoek terug te vinden. Nesten controleren in grotere kolonies is specialistenwerk (enclosures), neem daarvoor contact op met nestkaart@sovon.nl.

Attentie

Toestemming terreineigenaar uiteraard essentieel. Uiterst terughoudend zijn met betreden van kolonie (en nooit bij regen of lage temperatuur); bezoektijd zo kort mogelijk houden (vooral in vestigingsfase) en bij iedere stap uitkijken (ook voor goed gecamoufleerde jongen). Alleen doen bij kleine kolonies op weinig verstoringsgevoelige plekken. Grotere kolonies overlaten aan specialisten (neem bij serieuze interesse contact op met nestkaart@sovon.nl).

Bijzonderheden

Eieren en in mindere mate jongen (bijna) niet te onderscheiden van die van Kleine Mantelmeeuw. Stel dus van afstand vast welke soort bij welk nest hoort alvorens naar nest te gaan. Indringers in kolonie (waaronder nestcontroleurs) worden lastig gevallen door broedvogels. Onder invloed van stormvloeden kunnen kolonies in kustgebied zich makkelijk verplaatsen, of gaan vogels over tot vervolglegsels.

Meer informatie

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen half juli-mei.

Tijd van de dag

Van 2 uur voor hoogwater tot 1 uur erna.

Aanwijzingen

- Hoogwatervluchtplaats (HVP) lokaliseren aan de hand van verplaatsingen rond hoogwater
- Oppassen met voorverzamelplaatsen! (vogels verkassen nog)
- Vaak massale aankomst op HVP
- Aanvliegende vogels beter te tellen dan vogels ter plaatse (dichte groepen)
- Deel vogels begint te foerageren bij zakkend water
- Bij grote gebieden ‘met het getij mee’ werken
- In onoverzichtelijke gebieden insteek maken of hoger punt zoeken (maar pas op voor verstoring!)

Bijzonderheden

- HVP op kale zandplaten, kwelders, binnendijkse akkers en graslanden, duinen, pieren, dijken etc
- Vaak gemengd met andere meeuwen
- Deel van de vogels blijft tijdens hoogwater op open water, soms ver uit de kust
- Broedvogels blijven vanaf eind februari grotendeels op broedplaats

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen september-april.

Tijd van de dag

Van 2 uur na zonsopgang tot 3 uur voor zonsondergang, in getijdengebieden tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- In getijdengebieden verplaatsingen onder invloed van getij

Bijzonderheden

- In groepen tot vele honderden of meer
- Vaak gemengd met andere meeuwen of steltlopers
- Alert reagerend op plotselinge voedselbronnen (visafval over boord gezet, geploegde akker, gemaaid of geïnjecteerd grasland)
- Onvolwassen kleden lastig te herkennen

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen september-half april.

Tijd van de dag

Avond: van 2,5 uur voor zonsondergang tot 1 uur erna
Ochtend: van half uur voor zonsopgang tot 1 uur erna
Zowel 's ochtends als 's avonds te tellen

Aanwijzingen

- Slaapplaats lokaliseren door volgen van slaaptrek in avond (richting belangrijk!) of evt. gericht bezoeken van geschikte locaties rond zonsondergang
- Oppassen met voorverzamelplaatsen (vogels verkassen nog)
- Zoek telpunt met goed uitzicht op aan/afvliegende vogels
- Tegenlicht prettig want houdt vogels langer zichtbaar
- Grote slaapplaatsen met meerdere mensen tellen
- Vogels arriveren bij helder weer gemiddeld later dan bij donker weer
- Bij aanvang van telling aanwezige vogels noteren
- Vervolgens aan- of uitvliegende vogels noteren

Bijzonderheden

- Slaapplaats in binnenland meestal op grote open plassen, aan de kust op zandplaten, in duinen en op zee
- Aanvliegende vogels bij slaapplaats gewoonlijk vrij laag, op grotere afstand juist hoog
- Vaak gemengd met andere meeuwen, zowel in vlucht als op slaapplaats
- Broedkolonies fungeren in broedtijd als slaapplaats voor onvolwassen vogels

Broedtijd

In de eerste helft van de twintigste eeuw nestelden er enkele duizenden tot maximaal 25.000 paren in Nederland. De populatie nam vanaf 1970 sterk toe door afgenomen vervolging en het beschikbaar komen van rijke voedselbronnen zoals visafval en open vuilstorten. Rond 1985 nestelden er bijna 90.00 paren, waarna een afname inzette naar minder dan 60.000 paren sinds de eeuwwisseling. De afname komt op conto van de Vos (verdwijning kolonies in Hollandse duinstreek) en verminderd voedselaanbod (afdekken vuilstorten). De huidige broedpopulatie huist grotendeels op de Waddeneilanden en in het Deltagebied, met kleine aantallen in West-Nederland (op gebouwen) en het IJsselmeergebied. Broedgevallen diep in het binnenland waren altijd zeldzaam.

Buiten broedtijd

Broedende Zilvermeeuwen zoeken tot op enkele tientallen kilometers van de kolonie voedsel. Na het verlaten van de kolonies is de soort in het hele land aan te treffen, het meest echter langs de kust en in West- en Noord-Nederland. Op de hoge gronden is hij een min of meer vrij schaarse wintergast. De doortrek, vaak lastig te scheiden van lokale vliegbewegingen, kent geen duidelijke piekmomenten. De meeste trek lijkt plaats te vinden van augustus (kust) of oktober (binnenland) tot in december, en van half februari tot in mei.