Wilde Eend

Wetenschappelijke naam

Anas platyrhynchos

Engelse naam

Mallard

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

45000

Broedpopulatie

350.000-500.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

520000-600000, jan (2009-2014)

Wilde Eend

Anas platyrhynchos

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin februari t/m eind mei

Datumgrenzen

1 april t/m 10 mei

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen in broedbiotoop, met nadruk op solitair mannetje (waakzaam bij potentiële nestplaats) of paar (mannetje begeleidt vrouwtje tijdens voedselzoeken, vooral 's avonds goed waarneembaar), territoriaal gedrag (agressie ten opzichte van andere paren) en aanwijzingen voor nest: alarm, afleidingsgedrag, wijfje met zeer kleine jongen. Schuw wijfje of wijfje dat wegzwemt/wegvliegt en later terugkeert naar zelfde deelgebied is uiterst verdacht.
LET OP: Mannetje blijft tot halverwege de eifase bij het vrouwtje. Wijfje met kuikens kan forse afstand hebben afgelegd. Doortrek tot in mei. Doortrekkers (en later ook: mislukte broedvogels en verzamelingen van mannetjes) houden zich op in groepen maar vertonen geen duidelijke binding aan (delen van) het gebied.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (broedende vogel, fel alarm, pas uitgekomen kuikens) telt altijd.

In geval van adult mannetje in broedbiotoop, paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 1 april t/m 10 mei en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

Broedbiologie

Broedt in allerlei (half)open landschappen inclusief droog agrarisch cultuurland, zowel op de grond als in bomen (knotwilgen, oude nesten van bijv. Blauwe Reiger). Eileg van eind februari tot eind juli (soms ook daarbuiten), met piek in april. Eén broedsel per jaar, meestal 7-11 eieren, broedduur 24-32 dagen, jongen (nestvlieders) met 50-60 dagen vliegvlug.

Tijd van het jaar

Gehele jaar, hoogste aantallen half juli-maart.

Tijd van de dag

Gehele dag, in getijdengebieden tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken (plas-dras)
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken

Bijzonderheden

- Meestal in groepen tot enkele honderden
- Vaak samen met andere eenden, zowel tijdens foerageren (zwemeenden) als rusten (alle soorten)
- Onderscheid vogels met kenmerken van verwilderde eenden apart en noteer deze als Soepeend
- Foerageert in allerlei habitats, van boerenland (stoppelvelden, gras, sloten) tot ondiepe wateren, kwelders/schorren en stedelijk milieu
- Rustende vogels op open water of (deels) langs oevers
- Vogels in begroeiing lastig te tellen, op HVP vaak in begroeiing en slootjes foeragerend
- Concentraties bij strenge vorst bij open water en voerplekken
- Ruiconcentraties half mei tot in augustus
- Verplaatsingen tussen rustplekken en foerageergebieden (bijv. stoppelvelden)
- Tijdens graanoogst (augustus) soms nachtelijke voedselvluchten naar akkers

Broedtijd

De Wilde Eend is een van de meest verbreide Nederlandse broedvogels. De meerderheid nestelt in de laaggelegen delen van het land, vooral in waterrijke polders en moerassen. Op de hoge gronden is deze eend minder talrijk maar ontbreekt hij zelden; soms broedt hij op grote afstand van water. Ook in stedelijk gebied is de Wilde Eend een gewone broedvogel. Aantallen en verspreiding leken op landelijk niveau lange tijd nauwelijks verandering te ondergaan. Regionale afnames, zoals door verdroging van duinvalleien, werden gecompenseerd door toenames elders. Sinds ongeveer 1990 nemen de aantallen echter om onduidelijke redenen af.

Buiten broedtijd

De aantallen zijn het hoogst in de wintermaanden, wanneer Wilde Eenden zowel in open wateren als boerenland en stedelijk gebied talrijk zijn. De aantallen zijn betrekkelijk ongevoelig voor de nukken van het weer. Strenge vorst of zware sneeuwval leiden bij deze winterharde soort hooguit tot verplaatsingen naar open water of voerplekken, maar niet tot wegtrek over grote afstanden. De landelijk getelde aantallen nemen sinds ongeveer 2000 gaandeweg af. De oorzaak kan liggen in de afname van de eigen broedpopulatie, maar ook met een verschuiving van de winterverspreiding binnen Europa. Door gemiddeld zachtere winters hebben Noord-Europese broedvogels vermoedelijk minder neiging om tot in Nederland te overwinteren.