Roerdomp

Wetenschappelijke naam

Botaurus stellaris

Engelse naam

Eurasian Bittern

Rode Lijst

Bedreigd

Ramsar 1%

80

Broedpopulatie

350-400 (2016)

Geschat maximum winter/doortrek

klein aantal

Roerdomp

Botaurus stellaris

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin maart t/m eind juni

Datumgrenzen

1 april t/m 10 juni

Tijd van de dag

's Ochtends van twee uur voor zonsopgang tot zonsopgang en in avondschemer.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen noteren; onderscheid maken tussen hoempende vogels (drie bezoeken in april en eerste helft mei rond zonsopkomst of zonsondergang meestal voldoende) en overige waarnemingen. Rekening houden met verplaatsingen. Bij vliegende vogels (voedselvlucht tweede helft broedseizoen, vaak overdag): richting intekenen en opletten waar ze invallen.
LET OP: Geluid kan zeer vèrdragend zijn (roep onder gunstige omstandigheden over kilometers hoorbaar!). Afstandsbepaling dan moeilijk; gebruik kruispeiling om locatie in te tekenen. Roep van sommige mannetjes is individueel herkenbaar (toon en volume). Geïsoleerde paren (op meer dan 1 km van volgend paar) vaak stil. Geluid afspelen kan efficiënt zijn, maar vereist goede apparatuur (lage tonen gemakkelijk vervormd) en moet voorzichtig worden toegepast (telkens enkele minuten wachten na afspelen, onmiddellijk afbreken bij reactie).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, alarm, voedseltransport, kleine jongen) telt altijd.

In geval van adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 1 april t/m 10 juni

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

Roerdompen kunnen ook op de foerageerplek roepen. Daarom bij concentraties: uitgaan van gelijktijdig hoempende vogels, en aanvullende waarnemingen inpassen onder gebruikmaking fusieafstand.
Polygynie komt regelmatig voor (man gepaard met verschillende, tot wel 5 vrouwtjes!); kartering geeft derhalve vooral aantal roepende mannetjes weer, niet zozeer aantal broedende vrouwtjes.

Broedbiologie

Nestelt solitair, gewoonlijk in overjarig riet. Vroeger ook in kleine rietvelden en slootranden, tegenwoordig vooral in uitgestrekte rustige, structuurrijke rietvelden met hier en daar ondiepe plasjes.
Bodemnest goed verstopt, eileg half april tot half mei, met vervolglegsels tot begin juni. Eén broedsel per jaar, meestal 5-6 eieren, broedduur 25-26 dagen, nestjongenperiode 4-5 weken (maar jongen vanaf derde week rondklauterend in omgeving).

Literatuur

van Turnhout C., van Dijk A.J. & van der Weide M. 2004. Hoempende Roerdompen in 2003. SOVON-Nieuws 17(2): 7-8.
van Turnhout C., van Dijk A.J. & van der Weide M. 2004. Jaar van de Roerdomp 2003. Onderzoeksrapport 2004/07. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.

Broedtijd

De meeste Roerdompen nestelen in grote moerasgebieden in West- en Noord-Nederland. Belangrijke gebieden als de Oostvaardersplassen en de Weerribben/de Wieden tellen tientallen broedparen. Kleinere aantallen of losse paren broeden in moerasgebieden elders, waaronder vennen op de zandgronden. De landelijke aantallen namen sinds 1975 fors af, vooral door verdroging en verbossing van moerassen. Sinds ongeveer 1990 herstelden ze weer wat, deels door de aanleg van nieuwe natte natuur. Jaarlijkse aantalsschommelingen hangen samen met het winterweer (forse sterfte bij strenge vorst) en de neerslaghoeveelheden in winter en voorjaar (slechte vestigingsomstandigheden bij lage waterstand). Lokale terreinomstandigheden spelen eveneens een rol van betekenis.

Buiten broedtijd

De Nederlandse Roerdompen trekken deels weg tot in Afrika en overwinteren deels in eigen land. Daar krijgen ze 's winters gezelschap van Oost-Europese soortgenoten. Vanwege schutkleur, teruggetrokken gedrag en een verblijf in dicht moeras is meestal weinig van de aanwezigheid van Roerdompen te merken. In perioden met strenge vorst zoeken de vogels echter open water op en verschijnen ze meer in open gebied en soms zelfs in de bebouwing. Bovendien verlaten ze noodgedwongen vaker de dekking zodat ze meer opvallen, zeker bij een sneeuwdek.