Draaihals

Wetenschappelijke naam

Jynx torquilla

Engelse naam

Eurasian Wryneck

Rode Lijst

Ernstig bedreigd

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

65-75 (2015)

Geschat maximum winter/doortrek

klein aantal

Draaihals

Jynx torquilla

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half april t/m eind juli

Datumgrenzen

20 april t/m 1 juli

Tijd van de dag

Vooral in vroege ochtend.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen in broedbiotoop, speciaal roepende vogels. Afspelen baltsroep met geluidrecorder verdient aanbeveling maar moet voorzichtig worden gedaan; onmiddellijk stoppen bij reactie, en attent zijn op verplaatsingen.
LET OP: Door Draaihals uitgeworpen nestmateriaal/eieren/jongen van andere soorten (o.a. mezen) bij nestkasten of boomholten kan goede aanwijzing zijn maar is niet diagnostisch (Bonte Vliegenvanger en andere spechten doen het ook).
Partners roepen tijdens balts vaak in duet (let op bij vogels die binnen in hol roepen: klinkt van ver!), maar zangactiviteit valt na eileg weg; soort dan zeer onopvallend (wees attent op vogels die op kale grond naar mieren zoeken). Grondig doorkruisen van terrein waar roep gehoord is wordt aanbevolen; let speciaal op morsige berken (geliefde nestboom).
Jongen bedelen vlak voor uitvliegen luidruchtig in nestholte en na uitvliegen enkele dagen in de omgeving van het nest. Bedelgeluid lijkt op zang van Vuurgoudhaan, maar dan tweemaal zo snel.
Broedplaats veelal reeds in juli verlaten.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 20 april t/m 1 juli

In overige gevallen (adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop):
moet er 1 waarneming zijn in de periode 15 mei t/m 1 juli en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

500 m

Documentatie

Soort lijkt uit Nederland te verdwijnen. Ieder geval s.v.p. goed documenteren, zeker buiten de bekendere broedgebieden (Veluwe, Drenthe).

Bijzonderheden

In vestigingsperiode worden grote afstanden afgelegd (meer dan 1 km mogelijk) en houden mannetje en vrouwtje er gescheiden activiteitsgebieden op na. Doortrekker kan roepen!

Broedbiologie

Tegenwoordig vrijwel beperkt tot open loofbos op zandgrond (veelal randzone van heide), in verleden ook in hoogstamboomgaarden, oude tuinen etc. Broedt in oude spechtenholen, andere holen en nestkasten. Eileg begin mei tot begin juni. Eén tot twee broedsels per jaar, meestal 6-10 eieren, broedduur 11-14 dagen, nestjongenperiode 20-25 dagen.

Broedtijd

De laatste Draaihalzen van Nederland broeden op de Veluwe, in Drenthe en een enkele locatie elders op de zandgronden. Buiten de Veluwe gaat het vaak om kortstondige vestigingen. De soort was in de eerste helft van de twintigste eeuw in het oosten, zuiden en midden van het land een niet zeldzame broedvogel. Aanhoudende afname, zoals ook elders in West- en Midden-Europa opgemerkt, bracht de aantallen terug tot rond 200 paren omstreeks 1975 en hooguit enkele tientallen sinds 2000. De afname wordt deels veroorzaakt door verruiging van bodemvegetaties (Draaihalzen zoeken op zandige plekken en heischrale vegetatie naar mieren) als gevolg van atmosferische depositie. Grootschalige machinale terreiningrepen om dit tegen te gaan werken averechts. Voorts bestaat er gebrek aan natuurlijke nestholten door het verdwijnen van oude berken.

Buiten broedtijd

Vermoedelijk duiken vooral Scandinavische Draaihalzen in de trektijd bij ons op. In het voorjaar passeren ze tussen half april en eind mei, in het najaar van half augustus tot ver in oktober. Relatief veel waarnemingen stammen uit de kuststrook, wat een gevolg is van trekstuwing maar ook een hoge waarnemersdichtheid. Systematisch ringwerk toont aan dat de Draaihals ook regelmatig door het binnenland trekt, in ieder geval in het najaar, maar door onopvallend gedrag weinig wordt opgemerkt. Trekkers kunnen in allerlei terreinen verschijnen, van agrarisch cultuurland tot verruigd moeras, bosranden, heide met opslag of zelfs stadstuinen.