IJsvogel

Wetenschappelijke naam

Alcedo atthis

Engelse naam

Common Kingfisher

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

1050-1200 (2015)

Geschat maximum winter/doortrek

klein aantal

IJsvogel

Alcedo atthis

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin maart t/m eind juli

Datumgrenzen

20 maart t/m 15 mei

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen noteren (vliegende vogels met kijker volgen), speciaal letten op aanwezigheid van individu/paar in geschikt broedbiotoop, balts (vooral bij eerste broedsel opvallend, maart-april), nestbouw, voedseltransport en bezoek aan nesthol (doorgaans met roepen). Gericht zoeken naar bewoonde nestholen in steile oevers of wortelkluit van omgevallen boom (soms op enige afstand van water). Bij twijfel omtrent voorkomen kan afspelen van roepgeluid zinvol zijn.
Bewoond nesthol is herkenbaar aan vers zand onder hol, visgraten in nestpijp, visgeur, ontbreken van spinnenwebben voor hol, poepjes onder ingang en onder zitplaatsen bij nest, en bedelgeluid bij grote jongen (cicade-achtig). Oppassen voor solitaire vogels (graven soms ondiep hol). Foerageren vindt plaats tot meer dan 1 km van nest. Uitgevlogen jongen vanaf begin mei.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 20 maart t/m 15 mei en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

In overige gevallen (adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop):
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 20 maart t/m 15 mei

Fusieafstand

1000 m

Documentatie

Hoogste broedcode per geval aangeven.

Bijzonderheden

Nesthol wordt soms opnieuw gebruikt, zowel binnen seizoen als in verschillende jaren. Nesten van twee paren kunnen bij gebrek aan geschikte plekken op 80 m van elkaar zitten, maar doorgaans op meer dan 1 km, zelfs in goede jaren en goede gebieden. Mannetje kan verzorging uitgevlogen jongen op zich nemen terwijl vrouwtje met volgend broedsel begint (ineengeschoven broedsel). Tweede broedsels kunnen in hetzelfde hol plaatsvinden (behalve bij ineengeschoven broedsels) of in een ander hol tot op 1500 m van eerste broedsel.

Broedbiologie

Gebonden aan langzaam stromende of stilstaande zoete en visrijke wateren met steilwanden (tenm. 50 cm hoog) en zitplekken (minder dan 3 m boven water). Eileg van eind maart tot diep in zomer, met veelal pieken half april (eerste broedsel), half juni en begin juli (tweede en evt. derde broedsels). Twee broedsels per jaar normaal, derde of zelfs vierde broedsel mogelijk. Broedduur 18-21 dagen, nestjongenperiode 22-28 dagen.

Broedtijd

Het merendeel van de IJsvogels nestelt langs langzaam stromende beken met steilwanden in het oosten en zuiden van het land. Vooral na een serie zachte winters kunnen er echter aanzienlijke aantallen tot broeden komen in minder klassieke biotopen, ook in het westen en noorden van het land. De soort had in de jaren zestig van de twintigste eeuw te lijden onder watervervuiling en de strengste winter van de eeuw (1962/63), die de stand meer dan decimeerde. In het laatste kwart van de eeuw herstelde de stand, met onderbrekingen na koude tot strenge winters als 1978/79, midden jaren tachtig en midden jaren negentig. De stand floreerde vervolgens door een lange serie van (zeer) zachte winters in combinatie met verbeterde broedomstandigheden: schoner water, herstel van natuurlijke beekoevers en regionaal ook aanbod van nieuwe nestgelegenheid. In het topjaar 2007 nestelden er naar schatting rond 1000 paren in ons land. Enkele wat koudere winters deden de stand vervolgens weer dalen.

Buiten broedtijd

De Nederlandse IJsvogels blijven in het broedgebied of zwerven merendeels over korte afstanden rond. Ze worden vanaf de nazomer aangevuld door buitenlandse vogels. Dit leidt tot een relatief talrijk voorkomen in ons land tussen eind augustus en half oktober. IJsvogels duiken dan in het hele land op, inclusief stedelijke omgeving. Daarna dalen de aantallen, misschien deels door wegtrek maar vooral door sterfte. Deze kan groot zijn in winters met aanhoudend strenge vorst. Onder zulke condities zoeken IJsvogels open water op, waar zich soms enkele vogels concentreren. Van doortrek in het voorjaar is niets te merken.