Ransuil

Wetenschappelijke naam

Asio otus

Engelse naam

Long-eared Owl

Rode Lijst

Kwetsbaar

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

5000-6000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

klein aantal

Ransuil

Asio otus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half februari t/m eind juli

Datumgrenzen

20 februari t/m 20 juli

Tijd van de dag

In schemer en nacht. Meeste roepactiviteit van late avondschemer tot begin nacht.

Aanwijzingen

Roepende vogels, met overige waarnemingen als aanvulling. Nogal onopvallende baltsroep van mannetje vooral eind februari-maart, daarna voornamelijk vleugelklappen (man) en roep (vrouwtje, zwak hoorbaar, wel meestal bij nest). Man en vrouw doorgaans op enkele tientallen meters van elkaar roepend; bij afstand van meer dan 100 m is ander territorium aannemelijk.
Afspelen van baltsroep mannetje kan behulpzaam zijn; pas echter op voor verplaatsingen naar geluid toe en stop onmiddellijk bij reactie. Jonge vogels (verlaten nest voordat ze kunnen vliegen) bedelen luidruchtig en aanhoudend, aanvankelijk dicht bij nest maar binnen enkele weken zich soms over honderden meters verplaatsend. Volwassen (en later uitgevlogen jonge) vogels overnachten in de buurt van de broedplaats (naalsboom of loofboom met veel dekking bijv. klimop, vaak tegen stam aan); aanwezigheid wordt soms verraden door scheldende vogels (lijsters, Gaaien, mezen enz.), poep (opvallend bij sparren: op voet of onderstam), braakballen (onderscheiden zich van Bosuil door complete schedels en intacte botjes) en ruiveren. Zulke aanvullende waarnemingen inpassen in territoriale waarnemingen.
Bezette nesten kunnen in gunstige situaties dicht bij elkaar zitten (tot 80 m). Rond gezamenlijke winterslaapplaatsen soms clusters van broedparen.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbezoek, transport voedsel, alarm, pas uitgevlogen jongen) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 20 februari t/m 20 juli

In overige gevallen (adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop):
moet er 1 waarneming zijn in de periode 15 maart t/m 20 juli en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

Jagende vogels kunnen op grote afstand van het nest zijn en bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een broedgeval. Dat geldt niet voor doelgericht een geschikt bos(je) in- of uitvliegende vogels (man verzorgt broedend vrouwtje met voedsel en verzorgt grotendeels de nestjongen). Over 'meerkoetgeluid' producerende Ransuilen (in vlucht) bestaat onduidelijkheid. Waarneming is in ieder geval niet als territoriaal te beschouwen.

Broedbiologie

Tegenwoordig vooral in kleine bosjes en agrarisch cultuurland broedend, weinig in aaneengesloten grote bossen (predatie Havik en Buizerd!). Nestelt in oud nest van andere soort, bij voorkeur Ekster of Zwarte Kraai, soms ook Houtduif of Buizerd/Havik; zowel in loofbomen als (vooral) naaldbomen. Eileg half maart tot half april, in muizenjaren soms vanaf eind februari. Eén broedsel per jaar, meestal 4-5 eieren, broedduur 27-28 dagen, nestjongenperiode minstens 20 dagen, waarna de jongen het nest verlaten. Ze zijn met 33-35 dagen vliegvlug maar pas later zelfstandig.

Literatuur

van Manen W. 2000. Trefkans van Ransuilen Asio otus in de broedtijd. Drentse Vogels 13: 27-29.

Broedtijd

Ransuilen broeden in allerlei landschappen maar mijden grote bossen, boomloze gebieden en steden. De dichtheden zijn vrijwel overal laag, hoewel de aanwezigheid lastig vast te stellen is. De stand is sterk afgenomen sinds ongeveer 1985. De soort verdween uit de grote bossen op de zandgronden, waar hij voorheen een normale broedvogel was. Hierbij speelt intensieve predatie op jonge en oude Ransuilen door Haviken een belangrijke rol. Bovendien wordt het agrarisch cultuurlandschap dermate intensief benut dat florerende (veld)muizenpopulaties een uitzondering worden, een uitzonderlijk jaar daargelaten. Lokaal werd nestgelegenheid schaars door afnemende aantallen Zwarte Kraaien en Eksters (nestleveranciers).

Buiten broedtijd

Volwassen vogels blijven nabij de broedplaats maar jongen zwerven soms over honderden kilometers uit. Omgekeerd kunnen Ransuilen uit Noord-Europa en Rusland ons land bereiken. Incidenteel, zoals in najaar 1986, levert dat trek van tientallen vogels op langs de kust. Familiegroepjes sluiten zich vanaf augustus bij elkaar aan op gemeenschappelijke slaapplaatsen. Tussen oktober en maart vormt zich de echte winterroest, waar vaak enkele maar som tientallen Ransuilen overnachten. Zulke slaapplaatsen zijn uit het hele land bekend maar recent vooral uit Noord-Nederland, deels door intensief onderzoek.