Kerkuil

Wetenschappelijke naam

Tyto alba

Engelse naam

Western Barn Owl

Rode Lijst :-
Ramsar 1% :-
Broedpopulatie

3200-3400 (2016)

Geschat maximum winter

4000-10.000 (2013-2015)

Kerkuil

Tyto alba

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin februari t/m oktober

Datumgrenzen

1 februari t/m 31 augustus

Tijd van de dag

Opsporen bezette broedplaatsen 's avonds en 's nachts (langgerekte krijsroep, uitvliegende oude vogels, bedelende jongen). Controle potentiële broedplaatsen overdag.

Aanwijzingen

Paar in broedbiotoop, territoriaal gedrag (krijsende vogel; hele jaar, maar vooral februari-maart), bedelende jongen (doorgaans vanaf juni). Controle van geschikte locaties (let op krijtstrepen onder nissen en gaten, kijk of er braakballen en ruiveren liggen). Navraag doen bij boeren of andere bewoners/beheerders.
LET OP: Roept soms op grote afstand van broedplaats (ook in vlucht), controle derhalve nodig. Krijtstrepen Kerkuil goed te onderscheiden van andere soorten (grote witte flatsen met contrasterende zwarte componenten) maar op beschutte plekken vaak lang zichtbaar, ook wanneer uilen vertrokken zijn. Bij ruiveren (controleer op mottenvraat) en braakballen (moeten glanzende coating hebben en geen larventunneltjes in haren hebben) eveneens nagaan of ze vers zijn. Kleine concentraties verse braakballen kunnen duiden op rustplaats, vaak in omgeving van nest.

Interpretatie

Bezet nest telt altijd. In overige gevallen (paar in broedbiotoop, territoriaal gedrag) is 1 waarneming verplicht in periode 1 februari-31 augustus.

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

In muizenrijke jaren tot in december nesten.
Kerkuilenwerkgroep Nederland registreert broedgevallen van Kerkuilen en tracht de soort te helpen o.a. door het plaatsen van nestkasten. SOVON streeft naar uitwisseling van gegevens over aantallen en verspreiding.

Broedbiologie

Nestelt meestal op richel in gebouw (tegenwoordig doorgaans boerderij of schuur, minder vaak kerktoren), graag in speciale nestkast, maar ook in holle bomen en soms in nestkasten voor Bosuilen. Eieren doorgaans op laag braakballen. Eileg sterk afhankelijk van voedselaanbod, meestal eind maart tot begin mei (eerste broedsels), met soms vervolg in juli-augustus (tweede broedsels) of zelfs tot in oktober-december (muizenpiekjaren). Een tot twee broedsels per jaar (incidenteel drie), meestal 4-7 eieren maar in goede muizenjaren tot 12; broedduur 30-34 dagen, nestjongenperiode ca. 40 dagen, jongen na ca. 60 dagen vliegvlug.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

April tot en met augustus, legpiek tweede helft april en in mei; in voedselrijke jaren ook in de overige maanden, tot midden in de winter aan toe. Eén tot twee broedsels per jaar, bij uitzondering drie.

Nesthabitat

Open tot halfopen agrarisch gebied met verspreide bebouwing; tegenwoordig voornamelijk op boerenbedrijven broedend (veelal stal of schuur), weinig in kerktorens. Zelden diep in grotere steden.

Nest

Merendeel in speciale nestkasten met grote invliegopening, overige in holtes van gebouwen (vaak grote zolder, indien invliegopening geschikt), zelden in oude boom. Nest bestaat hooguit uit ondiep uitgekrabd kuiltje.

Aanwijzingen

Broedparen lokaliseren door roepende vogels (krijsen, blazen), maar oppassen voor solitaire individuen; jagende vogels kunnen op grote afstand van nestplaats zijn. Als nestplaats onbekend is ’s avonds opletten op uit/aanvliegende Kerkuil bij gebouw; anders is systematische controle van alle geschikte plekken nodig (zaklamp mee!). Bewoonde nesten vaak herkenbaar aan poepsporen bij/onder invliegopening (soms echter opmerkelijk schoon). Nestplekken vaak jarenlang bezet (let op laag braakballen in nest).

Attentie

Soort is verstoringsgevoelig in vestiging/eilegfase. Eerste nestcontrole rond 1 juni, in goede muizenjaren eerder, in slechte muizenjaren later (houd de site van de Kerkuilenwerkgroep in de gaten). Eventueel nest vanaf de grond controleren met camera op telescoopstok/uitschuifbare aluminium stok (alleen infrarood licht gebruiken).

Bijzonderheden

-

Meer informatie

Uitgebreide informatie over nestcontroles in de handleiding van de Kerkuilenwerkgroep (de Jong J. 2013. De kerkuil, handleiding voor beschermers. Stichting Kerkuilenwerkgroep Nederland. www.kerkuil.com).