Koekoek

Wetenschappelijke naam

Cuculus canorus

Engelse naam

Common Cuckoo

Rode Lijst :Kwetsbaar
Ramsar 1% :-
Broedpopulatie

5700-7000 (2013-2015)

Geschat maximum winter

-

Koekoek

Cuculus canorus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half april t/m juli

Datumgrenzen

10 mei t/m 25 juni

Tijd van de dag

Hele ochtend, maar hoogste roepactiviteit in schemering.

Aanwijzingen

Zang (mannetje, het bekende 'koekoek', soms met individuele karakteristieken), roep (giechelende, rollende 'bubbling-call'; vrouwtje), verdacht individu (mannetje in adverterende poste op geëxponeerde plek, vrouwtje langdurig postend in boomtoppen of in een laag vluchtje over open gebied reactie provocerend van bijv. broedende Graspiepers), bedelende of pas uitgevlogen jonge vogel (doordringend, op tientallen meters hoorbaar tingelend geluid).
LET OP: soort is nauwelijks territoriaal, kent geen echte paarband en bestrijkt enorme gebieden. Roepende mannetjes kunnen zich tussen verschillende zangposten snel over honderden meters tot meer dan 1 km verplaatsen en vliegen door elkaar heen. Wijfjes zijn gespecialiseerd op een enkele waardvogelsoort (soms met een bij-waardvogelsoort) en zoeken terreinen op met hoge dichtheden van deze soort. Ze roepen echter weinig en het gedrag is kenmerkend maar valt alleen de ervaren waarnemer op.
Ga dus (noodgedwongen) uit van roepende mannen (vooral in ochtendschemer, als ze nog redelijk stationair zijn), met de overige waarnemingen als aanvulling. Houd er rekening mee dat roep over grote afstand te horen is (wellicht zelfs tot buiten telgebied). Teken roepplekken zo nauwkeurig mogelijk in (kruispeiling) en houd verplaatsingen bij.
Gevaar voor overschatting van de aantallen is reëel, vooral indien verschillende tellers aaneensluitende gebieden inventariseren (leg de veldkaarten naast elkaar en controleer dubbeltellingen i.v.m. verplaatsingen). In grote gebieden is nacontrole volgens methode Hellebrekers uitermate zinvol.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
bij 1-6 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 10 mei t/m 25 juni
bij 7-13 geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 10 mei t/m 25 juni
bij 14+ geldige bezoeken: 3 waarnemingen waarvan 1 in de periode 10 mei t/m 25 juni

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

In grote gebieden is methode Hellebrekers een nuttige check, waarmee serieuze overtelling voorkomen kan worden. De methode gaat uit van het per gespecialiseerd wijfje benodigde aantal waardvogels (er is een minimum aantal nodig), het aantal te leggen eieren en de (voor zover bekende) graad van parasitering binnen populaties van de bewuste waardvogel. Voor details zie Hellebrekers (2002).

Broedbiologie

Parasiteert op andere vogelsoorten in allerlei landschappen, van zeer open tot besloten. Meest gebruikte waardvogels in Nederland zijn Graspieper, Witte en Gele Kwikstaart, Heggenmus, Rietzanger en vooral ook Kleine Karekiet. Eileg van begin mei tot begin juli, vooral half mei-half juni. Aantal gelegde eieren sterk variabel in afhankelijkheid van aantal waardvogels (4-22 eieren, rond 10 meest gangbaar). Ei komt na 10-13 dagen uit, jong wordt 19-24 dagen in nest verzorgd (variatie afhankelijk van waardvogelsoort) en nog tot 2-3 weken na uitvliegen gevoerd.

Literatuur

Hellebrekers A.W. 2002. Inventarisatieperikelen: de Koekoek wordt zwaar overschat. SOVON-Nieuws 15(3): 16-17.