Noordse Stern

Wetenschappelijke naam

Sterna paradisaea

Engelse naam

Arctic Tern

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

10000

Broedpopulatie

770-840 (2016)

Geschat maximum winter/doortrek

klein aantal

Noordse Stern

Sterna paradisaea

Methode

Nesten tellen, evt. volwassen individuen/paren op broedplaats tellen.

Tijd van het jaar

Begin mei t/m eind juli

Datumgrenzen

20 mei t/m 30 juni

Tijd van de dag

Tellen van nesten de gehele dag, tellen van volwassen individuen of paren (kleine kolonies) het best in de vroege ochtenduren of late namiddag-vroege avond (binnenland) en bij hoog water (getijdengebieden).

Aanwijzingen

Minimaal eenmaal nesten, paren of volwassen individuen op de broedplaats tellen, bij voorkeur half juni. Nesten zijn soms (bijv. kwelderrand) vanaf verhoging (duintje) goed te tellen. Let op voedselvluchten (tot meer dan 10 km van de kolonie) en vogels op potentiële broedplaats. Bij solitaire paren en kleine kolonies kunnen alarmerende paren worden geteld, maar controleer of het inderdaad een broedplaats betreft.
Noordse Sterns en Visdieven nestelen soms in gemengde kolonies, maar vaak in afzonderlijke gedeelten. Noordse Sterns broeden dan in de kale delen (op afstand telbaar), de Visdieven meer in de vegetatie (lastiger telbaar). De eieren van beide soorten zijn in het veld niet met zekerheid van elkaar te onderscheiden.

Interpretatie

Hoogste aantal nesten, alarmerende paren of volwassen individuen aanhouden (aantal individuen delen door 1,5). Waarnemingen van paren alleen noteren als territorium- of broedindicerend gedrag is vastgesteld. Daarbij de bijbehorende hoge broedcode gebruiken.

Fusieafstand

500 m

Documentatie

Vrijwel uitsluitend in het Wadden- en Deltagebied, een hoogst enkele keer in het IJsselmeergebied. Broedgevallen buiten de bekende gebieden verdienen goede documentatie (liefst met foto's van de vogels, geef ook hoogste broedcode).

Bijzonderheden

Wees bedacht op foeragerende en alarmerende vogels tot op een afstand van enkele km van de broedplaats. Vestigingen tot half juni; vanaf eind juni kan de broedplaats worden verlaten. Door overstroming of verstoring soms verplaatsingen.
In de vestigingsperiode gevoelig voor verstoring. Felle reactie op binnendringers! Soms solitair broedend in of nabij kolonies van Kokmeeuw (let op geluid).

Broedbiologie

Vrijwel uitsluitend in zoute milieus. Biotoop: schaars begroeide (zand)platen, strandvlakten, kwelders, schorren, lage duintjes, duinvalleien.
Eén broedsel per jaar. Meestal 2 eieren, broedduur 21-22 dagen, jongen vanaf tweede dag uit nest kruipend en vliegvlug na 21-24 dagen. Eileg eind april tot eind eind mei, piek begin mei.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Half mei tot eind juli. Legpiek van eind mei tot in juli. Eén broedsel per jaar.

Nesthabitat

In nabijheid van de kust op zandige of stenige terreinen, zowel natuurlijke plekken (zandbanken, kwelders/schorren, primaire duintjes) kunstmatige (industrie- of bouwterrein, pier).

Nest

Grondnest, slechts bestaande uit uitgekrabd ondiep kuiltje, soms met wat versiering (plantenmateriaal, veertjes, steentjes). Doorgaans open gelegen, soms wat meer verstopt in vegetatie.

Aanwijzingen

Meestal in kolonies of met enkele paren bijeen broedend, vaak samen met Visdief (beide soorten wat apart van elkaar), soms met andere sterns of meeuwen, ook wel solitair broedend tussen Visdieven. Baltsvoedering vaak aanwijzing voor broedplaats (maar visjes kunnen ver van nestplek gevangen worden; let op vliegrichting). Broedende vogels bij zorgvuldig afzoeken van terrein (kijker) doorgaans goed zichtbaar, maar let op meer verstopte nesten (kop of staartpunt broedende vogel zichtbaar). Nesten in kleine kolonies bij bezoek onopvallend markeren (of intekenen op gedetailleerde veldkaart) om bij later bezoek terug te vinden. Nesten controleren in grotere kolonies is specialistenwerk (enclosures), neem daarvoor contact op met nestkaart@sovon.nl.

Attentie

Toestemming terreineigenaar uiteraard essentieel. Uiterst terughoudend zijn met betreden van kolonie (en nooit bij regen of lage temperatuur); bezoektijd zo kort mogelijk houden (vooral in vestigingsfase) en bij iedere stap uitkijken (ook voor goed gecamoufleerde jongen). Alleen doen bij kleine kolonies op weinig verstoringsgevoelige plekken. Grotere kolonies overlaten aan specialisten (neem bij serieuze interesse contact op met nestkaart@sovon.nl).

Bijzonderheden

In gemengde kolonies niet altijd gemakkelijk te onderscheiden van Visdief. Let op roep (korter dan Visdief) en verschillen in kleedkenmerken. Indringers in kolonie (waaronder nestcontroleurs) worden fel aangevallen door broedvogels, soms tot bloedens toe; draag hoed of houd stok ter bescherming verticaal (top 30 cm boven hoofd). Bijzonder felle vogels hebben nest of jongen op korte afstand van waarnemer. Onder invloed van stormvloeden kunnen kolonies zich makkelijk verplaatsen, of gaan vogels over tot vervolglegsels.

Meer informatie

Tijd van het jaar

April-begin juni en juli-oktober.

Tijd van de dag

Van 1 uur na zonsopgang tot 2 uur voor zonsondergang, tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- In getijdengebieden verplaatsingen onder invloed van getij

Bijzonderheden

- Solitair of in groepen tot vele tientallen
- Vaak samen met andere sterns
- Vogels op hoogwatervluchtplaatsen en slaapplaatsen doorgaans amper te onderscheiden van Visdieven
- Eventueel dan steekproefsgewijs uittellen (vermeldt dit!)
- Slaapplaatsen juli-september met Visdieven
- Normaliter zeer schaars in binnenland, maar eind april-half mei bij verslechterende weersomstandigheden soms influx

Broedtijd

Nederland ligt aan de uiterste zuidgrens van het broedgebied. Dit verklaart ten dele de grote jaarlijkse aantalsverschillen: in daljaren rond 900 broedparen en in piekjaren bijna 2000 paren. Dit was in het verleden vermoedelijk niet anders, maar de aantalsontwikkeling vóór 1990 is door determinatieproblemen minder goed gedocumenteerd dan bij andere sterns. Mogelijk was de soort, net als Grote Stern en Visdief, voor de crash van de jaren zestig (veroorzaakt door waterverontreiniging) talrijker dan nu. De huidige broedpopulatie zetelt voornamelijk in het Waddengebied, met slechts enkele tientallen broedparen in het Deltagebied. Broedgevallen in het IJsselmeergebied en rond Amsterdam worden recent niet meer vastgesteld.

Buiten broedtijd

De eerste Noordse Sterns arriveren begin april. Eind april en in de eerste helft van mei vindt een doortrekgolf plaats. De najaarstrek verloopt meer geleidelijk, met de meeste trek in juli-augustus en een uitloop tot begin oktober. Winterwaarnemingen zijn zeldzaam. Ook buiten de broedtijd worden Noordse Sterns voornamelijk langs de kust gezien. Relatief veel binnenlandwaarnemingen vallen tussen half april en half mei, onder weersomstandigheden die de trek stagneren (zware regen, tegenwind).