Kleine Mantelmeeuw

Wetenschappelijke naam

Larus fuscus

Engelse naam

Lesser Black-backed Gull

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

6300

Broedpopulatie

95.000-110.000 (2013)

Geschat maximum winter/doortrek

zeer groot aantal

Kleine Mantelmeeuw

Larus fuscus

Methode

Nesten tellen, evt. volwassen paren/individuen tellen op broedplaats.

Tijd van het jaar

Begin mei t/m juli

Datumgrenzen

20 mei t/m 15 juni

Tijd van de dag

Gehele dag of (volwassen paren/individuen) in vroege ochtend, namiddag of vroege avond. In getijdengebieden bij hoog water.

Aanwijzingen

Minimaal eenmaal nesten, paren of volwassen individuen (vanaf 4e jaars) op broedplaats tellen, bij voorkeur in tweede helft van mei. Let op voedselvluchten (aan Noordzeekust foeragerend tot meer dan 50 km van de kolonie!) en vogels op potentiële broedplaats. Bij solitaire paren en kleine kolonies kunnen alarmerende paren worden geteld, maar controleer of het inderdaad broedplaats betreft (bebouwing).
Bepaal bij gemengde kolonies (meestal met Zilvermeeuw) vanaf een hoog punt het aantal per soort aan de hand van de verhouding van aanwezige broedvogels (handtellertje is erg gemakkelijk!). Doe dat bij voorkeur op verschillende dagen in het weekeinde, wanneer weinig vissersschepen actief zijn. De eieren van beide soorten zijn in het veld niet met zekerheid van elkaar te onderscheiden en voedsel, nestbouw en nestplaats bieden evenmin voldoende aanknopingspunten. Zie ook Bijzonderheden.
Vestigingen tot begin juni mogelijk. Door overstroming of verstoring soms verplaatsingen binnen broedseizoen.

Interpretatie

Hoogte aantal nesten, alarmerende paren of volwassen individuen aanhouden (aantal individuen delen door 1,5). Waarnemingen van paren alleen noteren als territorium- of broedindicerend gedrag is vastgesteld. Daarbij de bijbehorende hoge broedcode gebruiken.

Fusieafstand

500 m

Bijzonderheden

Wees alert op gemengde broedparen van Kleine Mantelmeeuw, Zilvermeeuw en Geelpootmeeuw. Niet-broedende (onvolwassen) vogels kunnen de kolonie als slaapplaats of hoogwater vluchtplaats gebruiken. Groepen onvolwassen vogels niet meetellen. In bepaalde gebieden oppassen voor verstoring van nesten van Eider; wanneer toevalligerwijs wijfjes van het nest worden gejaagd moet het nest worden afgedekt door de nestrand over de eieren te leggen.

Broedbiologie

Vrijwel uitsluitend in kustgebieden (tot enkele tientallen km van kust), dieper landinwaarts zeldzaam. Biotoop: (vrij open) duinen, strandvlakten, kwelders, schorren, op dijken, op en bij gebouwen (ook midden in steden), opslagterreinen e.d.
Eén broedsel per jaar. Meestal 2-3 eieren, broedduur 26-31 dagen, jongen na 35-40 dagen vliegvlug. Eileg vanaf eind april, met piek half mei.

Literatuur

van Bruggen J. 2009. IJking van methoden om kolonies Kleine Mantel- en Zilvermeeuwen te tellen. SOVON-Nieuws 22(3): 8.
Hälterlein B., Fleet D., Henneberg H., Mennebäck T., Rasmussen L., Südbeck P., Thorup O. & Vogel R. 1995. Anleitungen zur Brutbestandserfassung von Küstenvögeln im Wattenmeerbereich. Wadden Sea Ecosystem No. 3. Common Wadden Sea Secretariat, Trilateral Monitoring and Assessment Group for Breeding Birds, Wilhelmshaven.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Half april tot eind juli. Legpiek in mei en eerste helft juni. Eén broedsel per jaar.

Nesthabitat

Voornamelijk in kustgebied, zowel op natuurlijke plekken (kwelders/schorren, duinen met lage vegetatie, onbewoonde eilandjes) als kunstmatige plekken met lage of spaarzame vegetatie (industrie- of bouwterrein), geregeld ook op platte daken van fabrieken enzovoort.

Nest

Grondnest, soms nogal open maar vaak ook te midden van vegetatie, eventueel op kalere plek tussen lage struiken. Nest vaak fors bouwsel van stro, wier, ander plantenmateriaal, mos en niet zelden afval.

Aanwijzingen

Meestal in kolonies of met enkele paren bijeen broedend, soms samen met andere meeuwen of met sterns; incidenteel solitair broedend. Luidruchtig gedrag op broedplaats bij kolonie onmiskenbaar (maar pas op voor aanwezigheid niet-broedende vogels). Broedende vogels bij afzoeken van terrein (kijker) deels zichtbaar, maar let op meer verstopte nesten (kop of staartpunt broedende vogel zichtbaar). Nesten in kleine kolonies bij bezoek onopvallend markeren (of intekenen op gedetailleerde veldkaart) om bij later bezoek terug te vinden. Nesten controleren in grotere kolonies is specialistenwerk (enclosures), neem daarvoor contact op met nestkaart@sovon.nl.

Attentie

Toestemming terreineigenaar uiteraard essentieel. Uiterst terughoudend zijn met betreden van kolonie (en nooit bij regen of lage temperatuur); bezoektijd zo kort mogelijk houden (vooral in vestigingsfase) en bij iedere stap uitkijken (ook voor goed gecamoufleerde jongen). Alleen doen bij kleine kolonies op weinig verstoringsgevoelige plekken. Grotere kolonies overlaten aan specialisten (neem bij serieuze interesse contact op met nestkaart@sovon.nl).

Bijzonderheden

Eieren en in mindere mate jongen (bijna) niet te onderscheiden van die van Zilvermeeuw. Stel dus van afstand vast welke soort bij welk nest hoort alvorens naar nest te gaan. Indringers in kolonie (waaronder nestcontroleurs) worden lastig gevallen door broedvogels. Onder invloed van stormvloeden kunnen kolonies in kustgebied zich makkelijk verplaatsen, of gaan vogels over tot vervolglegsels.

Meer informatie

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen half juni-oktober en maart-mei.

Tijd van de dag

Van 2 uur voor hoogwater tot 1 uur erna.

Aanwijzingen

- Hoogwatervluchtplaats (HVP) lokaliseren aan de hand van verplaatsingen rond hoogwater
- Oppassen met voorverzamelplaatsen! (vogels verkassen nog)
- Vaak massale aankomst op HVP
- Aanvliegende vogels beter te tellen dan vogels ter plaatse (dichte groepen)
- Deel vogels begint te foerageren bij zakkend water
- Bij grote gebieden ‘met het getij mee’ werken
- In onoverzichtelijke gebieden insteek maken of hoger punt zoeken (maar pas op voor verstoring!)

Bijzonderheden

- HVP op kale zandplaten, kwelders, binnendijkse akkers en graslanden, duinen, pieren, dijken etc.
- Deel van de vogels blijft tijdens hoogwater op open water, soms ver uit de kust
- Broedvogels blijven vanaf maart-april grotendeels op broedplaats

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen half juni-oktober en maart-mei.

Tijd van de dag

Van 2 uur na zonsopgang tot 3 uur voor zonsondergang, in getijdengebieden tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- In getijdengebieden verplaatsingen onder invloed van getij

Bijzonderheden

- In groepen tot vele honderden of meer, vaak gemengd met andere meeuwen of steltlopers
- Alert reagerend op plotselinge voedselbronnen (visafval over boord gezet, geploegde akker, gemaaid of geïnjecteerd grasland)
- Oppassen voor verwisseling met Grote Mantelmeeuw, soort is hartje winter behoorlijk schaars, wellicht schaarser dan gedacht
- Onvolwassen kleden lastig te herkennen

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen half juni-oktober en maart-mei.

Tijd van de dag

Avond: van 2,5 uur voor zonsondergang tot 1 uur erna
Ochtend: van half uur voor zonsopgang tot 1 uur erna
Zowel 's ochtends als 's avonds te tellen
Beste tellen in avond (ochtendvertrek soms snel en massaal)

Aanwijzingen

- Slaapplaats lokaliseren door volgen van slaaptrek in avond (richting belangrijk!) of evt. gericht bezoeken van geschikte locaties rond zonsondergang
- Oppassen met voorverzamelplaatsen (vogels verkassen nog)
- Zoek telpunt met goed uitzicht op aan/afvliegende vogels
- Tegenlicht prettig want houdt vogels langer zichtbaar
- Grote slaapplaatsen met meerdere mensen tellen
- Vogels arriveren bij helder weer gemiddeld later dan bij donker weer
- Bij aanvang van telling aanwezige vogels noteren
- Vervolgens aan- of uitvliegende vogels noteren

Bijzonderheden

- Slaapplaats in binnenland meestal op wateren met zandige oevers, aan de kust op zandplaten, in duinen en op zee
- Aanvliegende vogels bij slaapplaats gewoonlijk vrij laag, op grotere afstand juist hoog
- Vaak gemengd met andere meeuwen, zowel in vlucht als op slaapplaats
- Als exact uittellen niet mogelijk is: steekproeven nemen en aantal berekenen (vermeldt dit!)
- Broedkolonies fungeren in broedtijd als slaapplaats voor onvolwassen vogels

Broedtijd

Na het eerste broedgeval, in 1926 op Terschelling, bleef de Kleine Mantelmeeuw lange tijd zeldzaam; rond 1960 ging het om slechts 80 paren. Vanaf 1970 begon een explosieve toename naar meer dan 100.000 paren in 2010. Aanhoudend slecht broedsucces maakt aannemelijk dat de aantallen op termijn weer gaan dalen. Waddengebied (50%) en Deltagebied (42%) nemen de overgrote meerderheid van de broedparen voor hun rekening. De kolonie op Maasvlakte-Europoort (max. bijna 30.000 paren) is vermoedelijk de grootste binnen Europa. In de Hollandse duinen nestelden tot de komst van de Vos enkele duizenden paren. Sindsdien ging een klein deel broeden op gebouwen. In het diepe binnenland is de Kleine Mantelmeeuw een tamelijk zeldzame broedvogel.

Buiten broedtijd

Broedende Kleine Mantelmeeuwen maken voedselvluchten van soms meer dan 100 km over zee of land en kunnen dus ver van de broedkolonies opduiken. De trek is in het hele land waarneembaar maar vindt het meest geconcentreerd langs de kust plaats. De meeste trek wordt geconstateerd van half juli tot eind september en van begin maart tot eind mei (eerst de volwassen vogels, later de eerstejaars vogels). In de winter blijven kleine aantallen aanwezig, met name in het zuidwesten van het land en het IJsselmeergebied.