Zwartkopmeeuw

Wetenschappelijke naam

Larus melanocephalus

Engelse naam

Mediterranean Gull

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

2400

Broedpopulatie

1400-1500 (2015)

Geschat maximum winter/doortrek

klein aantal

Zwartkopmeeuw

Larus melanocephalus

Methode

Nesten tellen, evt. volwassen paren/individuen tellen op broedplaats.

Tijd van het jaar

Half april t/m juli

Datumgrenzen

1 mei t/m 30 juni

Tijd van de dag

Gehele dag of (telling volwassen individuen/paren) in vroege ochtend, namiddag of vroege avond.

Aanwijzingen

Minimaal eenmaal nesten, paren of volwassen individuen op broedplaats tellen, bij voorkeur in tweede helft van mei (zie Bijzonderheden). Bij alarmerende paren nagaan of het inderdaad broedplaats betreft. Alarmeren vooral aan begin broedtijd en wanneer eieren uitkomen. Let op voedselvluchten en vogels op potentiële broedplaats.
LET OP: Vestigingen tot in juni mogelijk. Door overstroming soms verplaatsingen binnen broedseizoen. Niet-broedende vogels (eerste- en tweedejaars vogels) vaak aanwezig in kolonie en vaak ook baltsend (niet meetellen!). Let op nieuwe vestigingen, soms voorafgegaan door jarenlange waarnemingen in de broedtijd.

Interpretatie

Hoogste aantal nesten, alarmerende paren of - minder nauwkeurig - volwassen individuen aanhouden (in laatste geval delen door 1,5).

Fusieafstand

500 m

Documentatie

Broedgevallen buiten de bekende broedgebieden graag goed documenteren (geef hoogste broedcode).

Bijzonderheden

Broedt in eigen kolonies of in kokmeeuwenkolonies (in aparte clusters), ook wel bij andere meeuwen. Verraadt aanwezigheid door afwijkende mauwende roep. Soms gepaard met Kokmeeuw of Stormmeeuw. Nesten herkenbaar aan de hand van nestmateriaal (meestal fijner dan Kokmeeuw) en grootte, kleur en tekening van eieren (lichtere grondkleur, vagere vlekjes). Pullen zijn stekelige en grijs gestreepte 'punkjes' (i.t.t donzige pullen Kokmeeuw).
Soms mengparen met Kokmeeuw of Stormmeeuw.

Broedbiologie

Vooral in kustmilieus (speciaal Delta), maar ook in binnenland. Biotoop: lage moeras-, duin- en kweldervegetatie, begroeide zandplaten, opgespoten terreinen.
Eén broedsel per jaar. Meestal 3 eieren, broedduur 23-26 dagen, jongen na 35-40 dagen vliegvlug. Piek van eileg half mei. Broedsucces vaak verrassend veel hoger dan van Kokmeeuwen, indien broedend in gemengde of nabijgelegen kolonies.

Tijd van het jaar

Half februari-oktober, schaars daarbuiten.

Tijd van de dag

Van 2 uur na zonsopgang tot 3 uur voor zonsondergang, in getijdengebieden tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- In getijdengebieden verplaatsingen onder invloed van getij

Bijzonderheden

- Solitair of in groepen tot enkele tientallen
- Vaak gemengd met andere meeuwen of steltlopers
- Alert reagerend op plotselinge voedselbronnen (geploegde akker, gemaaid of geïnjecteerd grasland)
- Slaapplaatsen gemengd met Kokmeeuwen of andere meeuwen en vogels aldaar moeilijk te tellen
- Omvangrijke broedpopulatie in vooral Deltagebied en (in mindere mate) IJsselmeergebied, elders schaars.

Broedtijd

De eerste broedgevallen vonden plaats in 1933-35 (Schouwen); het betrof een gemengd paar Zwartkopmeeuw met Kokmeeuw. Na het eerste 'zuivere' broedgeval in 1959 (Ossendrecht en Scheelhoek) bleef de soort lange tijd zeldzaam. Vanaf 1980 namen de aantallen toe en in de jaren negentig kwamen ze in een stroomversnelling. Sinds de eeuwwisseling nestelen er in goede jaren rond 2000 paren in ons land, vaak samen met Kokmeeuwen. De overgrote meerderheid huist in het Deltagebied, in kolonies tot vele honderden paren. Door uitwisseling met nabije Vlaamse broedplaatsen fluctueren de aantallen per jaar. De soort broedt ook in toenemende mate in het IJsselmeergebied, vestigingen elders zijn schaars en vaak tijdelijk.

Buiten broedtijd

In de winter zijn Zwartkopmeeuwen schaars. De meeste waarnemingen stammen van de kust of het rivierengebied. Vanaf begin maart nemen de aantallen toe. De broedvogels komen merendeels in april en begin mei aan en verlaten de kolonies in juli. Trekkers worden vooral in het zuidwesten van het land gezien en betreffen waarschijnlijk grotendeels Nederlandse vogels. Omdat ons land aan de noordwestgrens van het broedgebied ligt, valt weinig doortrek van buitenlandse vogels te verwachten. Toch duiken in ons land regelmatig Zwartkopmeeuwen op die geringd zijn in het Middellandse Zeegebied en Oekraïne. De onopvallende najaarstrek duurt tot in oktober.