Oeverloper

Wetenschappelijke naam

Actitis hypoleucos

Engelse naam

Common Sandpiper

Rode Lijst :Gevoelig
Ramsar 1% :17300
Broedpopulatie

10-20 (2013-2015)

Geschat maximum winter

20-50 (2013-2015)

Geschat maximum doortrek

10.000-50.000 (2008-2012)

Oeverloper

Actitis hypoleucos

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin mei t/m juli

Datumgrenzen

1 juni t/m 30 juni

Tijd van de dag

Gehele dag, balts ook 's avonds.

Aanwijzingen

Alert zijn bij late voorjaarswaarnemingen in geschikt biotoop (stromend water, eilandjes en oevers van plassen met wilg en open slikkige bodem; soms ook in droger terrein) en letten op nestindicerend gedrag (afleidingsgedrag, alarm, pulli). Alarmroep en zang ('dididididi') onderscheiden zich van contactroep (niet territoriumindicatief) door niet in sterkte toe- of af te nemen en langer aan te houden. Alarm evenwel soms éénlettergrepig. Paren met jongen (vooral juni) vliegen alarmerend in cirkels rond waarnemer.
LET OP: Baltsende vogels kunnen doortrekkers zijn; let op of de vogels aanwezig bliven. Waarnemingen van een 'paar' (tweetal) zijn onvoldoende. Broedvogels in eifase (in juni) zeer onopvallend; houden waarnemer van afstand in de gaten zonder te foerageren. Verschillende bezoeken tot half juli aan gebied zijn doorgaans noodzakelijk. Families kunnen zich enkele kilometers van broedplaats verwijderen.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (broedende vogel, fel alarm, pas uitgekomen kuikens) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 1 juni t/m 30 juni

Fusieafstand

1000 m

Documentatie

Goede documentatie nodig, met per waarnemingsdatum hoogste broedcode.

Bijzonderheden

Tegenwoordig jaarlijkse zeldzame broedvogel (vooral langs Grote Rivieren).

Broedbiologie

Gebonden aan zoetwatermilieu. Nestelt meestal langs stromende wateren, soms langs stilstaande wateren (afgravingen), op zandige of stenige oevers, zowel in open terrein als gebieden met enig bos (wilgen etc.). Nest goed verstopt op wat hoger liggende delen tussen opgaande kruiden, boomstronken of aanspoelsel. Eileg begin mei tot half juni. Eén broedsel per jaar, meestal 4 eieren, broedduur 21-22 dagen, jongen (nestvlieders) na 35-40 dagen vliegvlug; worden door beide ouders verzorgd.

Literatuur

Lensink R. 2000. Inventarisatieperikelen: interpretatie van waarnemingen van Oeverloper. SOVON-Nieuws 13(3): 18.

Tijd van het jaar

Juli-half oktober en april-begin juni. Hoogste aantallen juli-augustus en eind april-eerste helft mei.

Tijd van de dag

Gehele dag, maar lokaal verplaatsingen rond zonsondergang (gemeenschappelijke slaapplaatsen?).

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken

Bijzonderheden

- Solitair of in groepen tot enkele tientallen
- Weinig samen met andere steltlopers
- Gevarieerde habitatkeus binnen zoetwatermilieu, van ondiepe poelen tot sloten met slikoevers, gekanaliseerde beken en snelstromende natuurlijke beken
- Overwinteraars veel schaarser dan vaak gedacht. Verwisseling met Witgat (kan heel bruin lijken) komt dikwijls voor (let op witte ‘krul’ van Oeverloper tussen vleugel en borst)
- Lokaal gemeenschappelijke slaapplaatsen (vooral juli-augustus), wellicht echter vooral concentratie van vogels die zich verzamelen voor de wegtrek in de avond