Bonte Strandloper

Wetenschappelijke naam

Calidris alpina

Engelse naam

Dunlin

Rode Lijst

Verdwenen uit Nederland

Ramsar 1%

13300

Broedpopulatie

-

Geschat maximum winter/doortrek

340000-510000, okt-nov (2009-2014)

Bonte Strandloper

Calidris alpina

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin april t/m juli

Datumgrenzen

1 mei t/m 15 juni

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

In geschikt biotoop (vooral kwelders/schorren met slenken) speciale aandacht besteden aan paren of individuen met territorium- of nestindicerend gedrag: balts (triller, vaak in vlucht), verdacht individu (plaatsgebonden en waakzaam, kan wakende vogel zijn in nabijheid broedende partner; beide ouders bebroeden legsel), alarm, afleidingsgedrag, vogel met pulli (zoeken vaak natte, windluwe plekken op).
LET OP: Ook niet-broedvogels kunnen baltsgedrag vertonen; let dus op of de vogels al dan niet (fel) alarmeren. Adulte vogels met jongen (vooral juni) verraden zich door aparte roep ('woerrd woerrd woerrd').

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (broedende vogel, fel alarm, pas uitgekomen kuikens) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 1 mei t/m 15 juni

Fusieafstand

1000 m

Documentatie

Uitgebreide documentatie noodzakelijk met per waarnemingsdatum hoogste broedcode. Zeldzaam, maar mogelijk regelmatiger broedend dan vermoed. Extra aandacht zinvol bij late voorjaarswaarnemingen van uitgekleurde vogels in broedbiotoop. Beschrijf conditie vogel (goed vliegend of bijv. mank) en toestand verenkleed (gaaf of rafelig).

Bijzonderheden

Broedbiologie

Tegenwoordig geheel gebonden aan zoute of brakke milieus, nestelend in open gebieden met zeer lage grazige vegetaties en modderige plekken. Nest goed verstopt (halmen over nestkom getrokken). Eileg van half april tot begin juni, vooral begin mei. Eén broedsel per jaar, meestal 4 eieren, broedduur 21-23 dagen, jongen (nestvlieders) na 19-21 vliegvlug. Vrouwtje verlaat broedsel rond uitkomen van de eieren, mannetje neemt broedzorg over totdat jongen goed vliegen (20-25 dagen).

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen half juli-half mei.

Tijd van de dag

Van 1 uur voor hoogwater tot 1 uur erna.

Aanwijzingen

- Hoogwatervluchtplaats (HVP) lokaliseren aan de hand van verplaatsingen rond hoogwater
- Oppassen met voorverzamelplaatsen! (vogels verkassen nog)
- Aanvliegende vogels beter te tellen dan vogels ter plaatse (dichte groepen)
- Tijdens hoogwater vaak rustend
- Deel vogels begint te foerageren bij zakkend water
- Bij grote gebieden ‘met het getij mee’ werken
- Op grote HVP’s liefst in teamverband tellen
- In onoverzichtelijke gebieden insteek maken of hoger punt zoeken (maar pas op voor verstoring!)

Bijzonderheden

- HVP buitendijks op zandplaten en kwelders/schorren, binnendijks op graslanden (korte vegetatie), kale akkers, plasjes, soms ook op rijshoutdammen landaanwinningswerken
- Grote groepen vaak niet of amper gemengd met andere steltlopers
- Groepen kunnen zeer groot zijn (>10.000) en in beweeglijke wolken massaal invallen (lastig telbaar). Tel eventueel meerdere malen en neem gemiddelde
- Piekaantallen vaak maar korte tijd (1,5 uur) op HVP aanwezig

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen juli-oktober en maart-mei.

Tijd van de dag

Gehele dag, in getijdengebieden tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- In getijdengebieden verplaatsingen onder invloed van getij

Bijzonderheden

- Solitair of in groepen tot enkele tientallen (binnenland) of vele honderden of meer (omgeving getijdengebieden)
- Soms samen met andere steltlopers
- Meestal op ondiepe plassen met slikkige oevers, soms op akkers etc.
- Vrij schaars in diepe binnenland.

Broedtijd

Vermoedelijk kwamen Bonte Strandlopers tot ongeveer 1960 min of meer regelmatig tot broeden. Sindsdien is de soort een onregelmatige broedvogel die steeds zeldzamer lijkt te worden, met de laatste nestvondst in 1986. Alarmerende vogels suggereren dat een incidenteel broedgeval nog steeds tot de mogelijkheden behoort. De meeste gevallen van na 1950 deden zich voor in het Wadden- en Deltagebied. Begin twintigste eeuw nestelde deze soort ook in het IJsselmeergebied en soms in het binnenland van Friesland.

Buiten broedtijd

Het hele jaar door zijn Bonte Strandlopers aanwezig, steeds met een sterke voorkeur voor de zoute tot brakke wateren van Waddenzee en Deltagebied. In het diepe binnenland is deze soort de talrijkste van de strandlopers, maar groepen van enkele tientallen zijn vrij bijzonder. Landelijk gezien zijn de aantallen het hoogst tussen september en november en in april en mei. De winteraantallen schommelen, met een uittocht tijdens langdurige strenge vorst. Op de lange termijn gezien kenden de aantallen in Nederland een inzinking rond 1985, een herstel daarna en schommelingen vanaf het jaar 2000.