Goudplevier

Wetenschappelijke naam

Pluvialis apricaria

Engelse naam

European Golden Plover

Rode Lijst

Verdwenen uit Nederland

Ramsar 1%

10600

Broedpopulatie

-

Geschat maximum winter/doortrek

160000-220000, nov (2009-2014)

Goudplevier

Pluvialis apricaria

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half maart t/m juli

Datumgrenzen

1 juni t/m 15 juli

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

In geschikte biotopen (open lage heide, hoogveen) paren en individuen volgen en letten op territorium- of nestindicerend gedrag: balts (kan ook door trekkers worden voortgebracht), nestbouw (kuiltje draaien, strootjes aanbrengen), alarm, afleidingsgedrag. Voedsel zoekende solitaire vogel in broedtijd in of bij geschikt broedbiotoop is interessant en moet enige tijd gevolgd worden.
Doortrek tot in mei en vanaf juli. Doortrekkers gewoonlijk in andere biotopen (agrarisch gebied, kust) dan broedvogels.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (broedende vogel, fel alarm, pas uitgekomen kuikens) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 1 juni t/m 15 juli

Fusieafstand

1000 m

Documentatie

Uitgebreide documentatie noodzakelijk met per waarnemingsdatum hoogste broedcode. Soort is al een halve eeuw uitgestorven als reguliere broedvogel, met een incidenteel geval sindsdien. Toch blijft extra-aandacht zinvol bij late voorjaarswaarnemingen in broedbiotoop.

Bijzonderheden

Dichtstbijzijnde broedpopulatie in westelijk Niedersachsen (Duitsland) klein (ca. 20 paren) en bedreigd. Nestplaats en foerageerplaats (grasland) soms tot op 5 km van elkaar verwijderd. Opgroeiplek van kuikens eveneens soms op forse afstand van nestplek.

Broedbiologie

Gegevens uit Duitsland! Nestelend in uitgestrekte hoogveen- en heidegebieden met zeer lage vegetatie en veel open plekken (eventueel brandplekken), in Niedersachsen vooral gebonden aan grootschalige turfwinning.
Eileg van midden april tot (vervolglegsels) begin juni. Eén broedsel per jaar, meestal 3-5 eieren, broedduur 27-29 dagen, jongen (nestvlieders) na 25-37 dagen vliegvlug; beide ouders verzorgen jongen.

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen half juli-november en maart-april.

Tijd van de dag

Van 2 uur voor hoogwater tot hoogwater

Aanwijzingen

- Hoogwatervluchtplaats (HVP) lokaliseren aan de hand van verplaatsingen rond hoogwater
- Oppassen met voorverzamelplaatsen! (vogels verkassen nog, soms lopend)
- Vaak massale aankomst op HVP
- Aanvliegende vogels beter te tellen dan vogels ter plaatse (dichte groepen)
- Tijdens hoogwater vaak rustend in dichte grote groepen
- Soms samen met andere steltlopers of meeuwen
- Deel vogels begint te foerageren bij zakkend water
- Bij grote gebieden ‘met het getij mee’ werken

Bijzonderheden

- HVP vaak op kale zandplaten, kwelders, poldergraslanden, duinweiden, kaal bouwland
- Bij erg hoge waterstanden vaak langere tijd binnendijks

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen half juli-november en maart-april.

Tijd van de dag

Hele dag, in getijdengebieden tijdens hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- Bij grote gebieden of erg veel vogels: in teamverband tellen
- In getijdengebieden verplaatsingen onder invloed van getij

Bijzonderheden

- Vooral in groepen tot vele honderden
- Vaak samen met andere steltlopers (binnenland: Kievit) of meeuwen
- Zowel op grasland als akkers
- Grote pleisterplaatsen vaak jarenlang in gebruik
- Vogels tijdens voorjaarstrek onrustig (hoog opvliegend) en luidruchtig (baltserig)
- Onoverzichtelijke groepen het beste te tellen tijdens opvliegen (gebeurt regelmatig)
- Vogels in winterkleed en op bouwland lastig te zien
- Aantallen in winter sterk afhankelijk van vorst

Broedtijd

De Goudplevier broedde tot 1937 in Nederland in hoogveen- en heidegebieden in met name Drenthe en de Peel. Hij verdween door ontginning van 'woeste gronden' en het ongeschikt raken van resterende gebieden. Zo leidde het wegvallen van schapenbegrazing tot verdwijning van korte grazige vegetaties. Het enige zekere broedgeval sindsdien vond plaats in 1974 bij Budel. Recentere waarnemingen van baltsende vogels in geschikt terrein sluiten een incidentele broedpoging niet uit.

Buiten broedtijd

De najaarstrek krijgt vorm in augustus en leidt tot piekaantallen in oktober en november. De grootste concentraties bevinden zich dan in het Waddengebied en open boerenland, met name vochtige graslanden maar ook bouwland in het westen en noorden van het land. Het voorkomen in de winter wordt sterk door het weer bepaald. In zachte winters blijven grote aantallen hangen, bij strenge vorst verdwijnen ze vrijwel helemaal. De voorjaarstrek vindt grotendeels plaats tussen eind februari en half april. Vergeleken met de situatie rond 1975 zijn Goudplevieren uit grote delen van het binnenland verdwenen, in ieder geval uit intensief gebruikt boerenland. Tegelijkertijd namen de aantallen in de Waddenzee sterk toe.