Waterhoen

Wetenschappelijke naam

Gallinula chloropus

Engelse naam

Common Moorhen

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

37100

Broedpopulatie

40.000-55.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

22000-32000, nov-jan (2009-2014)

Waterhoen

Gallinula chloropus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin maart t/m begin augustus

Datumgrenzen

20 april t/m 15 juni

Tijd van de dag

Gehele dag, maar roepactiviteit het hoogst in avond- en ochtendschemer.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen in broedbiotoop, met nadruk op individu of paar, territoriaal gedrag (diverse roepjes, door beide geslachten, waaronder het hele jaar te horen korte 'kuurruk') en aanwijzingen voor nest: nestbouw (mannetje bouwt verschillende platforms waarna beide partners er een uitbouwen tot nest), alarm, paar met kleine jongen.
LET OP: Onopvallend levende soort, gemakkelijk over het hoofd te zien, ook in overzichtelijke biotopen (poldersloten). Bezoek in schemering of 's nachts (roep) vaak verhelderend. Gebruik van geluidrecorder kan roepactiviteit stimuleren. Nesten niet verwarren met platforms die als slaapplaats dienen.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 20 april t/m 15 juni

Fusieafstand

300 m

Bijzonderheden

Mannetje kan kleine jongen van reeds uitgekomen eieren begeleiden terwijl het vrouwtje nog de laatste eieren uitbroedt. Vrouwtje kan aan bebroeding volgend legsel beginnen terwijl mannetje de jongen van het eerste legsel verzorgt. Jongen van eerdere broedsels (goed herkenbaar aan fletser verenkleed) blijven vaak in broedgebied aanwezig en kunnen helpen bij de verzorging van nieuwe familiegenoten (uniek binnen Nederlandse vogelwereld!).

Broedbiologie

Broedt in allerlei zoete wateren met goed ontwikkelde oevervegetatie, inclusief vijvers in stedelijk gebied. Eileg van eind maart tot in augustus, piek van half april-begin juli. Twee (soms drie of vier) broedsels per jaar, meestal 5-11 eieren (meer dan 12 eieren betreffen meestal 'dumpnesten' van verschillende vrouwtjes), broedduur 19-22 dagen, jongen (nestvlieders) met 49 dagen vliegvlug.

Tijd van het jaar

Hele jaar, maar vooral half juli tot en met april, hoogste aantallen november-maart.

Tijd van de dag

Gehele dag

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken

Bijzonderheden

- Solitair, in paren, familieverbanden of groepen tot enkele tientallen
- Meestal niet mengend met andere soorten, soms tussen eenden of Meerkoeten in stedelijk gebied (voerplaatsen)
- Foerageert vooral langs oevers van ondiepe wateren en op gras, lastig te tellen want zeer verspreid voorkomend
- Vrij schuw, verdwijnt snel in oevervegetatie; stadsvogels echter opmerkelijk mak
- Bij vorst concentrerend op ijsvrije plekken incl. snelstromende beken
- Soms gezamenlijke slaapplaatsen in struweel of bomen

Broedtijd

Alleen in kurkdroge streken ontbreken Waterhoentjes. De soort kan al genoegen nemen met de kleinste moerasjes op de droge gronden. Nergens zijn de dichtheden echter zo hoog als in de waterrijke delen van vooral West-Nederland. Hier is het Waterhoen ook, meer dan in het oosten, een bekende bewoner van stedelijke waterpartijen en sloten rond boerenerven. Koude winters hakken erin en droge voorjaren zijn ongunstig. Dat verklaart de dalen in de trendgrafiek. Los daarvan nemen de aantallen echter al tientallen jaren geleidelijk af. De redenen daarvoor zijn onduidelijk. Factoren die genoemd worden zijn onder andere verdroging van moerassen en intensief slootrandenbeheer.

Buiten broedtijd

De meeste Waterhoentjes blijven 's winters in eigen land, al verplaatsen ze zich tijdens strenge vorst op zoek naar open water. Hun aantallen worden in lichte mate aangevuld door Duitse en Deense vogels. Midden in de winter zijn Waterhoentjes het talrijkst in het westen en zuidwesten van het land, zowel in boerenland, in moerassen als in stedelijke omgeving. De landelijk getelde aantallen vertonen, net als bij de broedvogels, inzinkingen in koude winters en een algeheel dalende trend.