Havik

Wetenschappelijke naam

Accipiter gentilis

Engelse naam

Northern Goshawk

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

1800-2000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

vrij klein aantal

Havik

Accipiter gentilis

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin februari t/m juli

Datumgrenzen

1 februari t/m 15 juli

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Echt goede inventarisatie alleen mogelijk door zoeken van nesten in combinatie met kartering van territorium- of nestindicerende waarnemingen.

Zoeken van nesten
Veel nesten kunnen gevonden worden door voor half april (bladgroei) geschikte bossen uit te kammen (maar zie onder Bijzonderheden). Nesten doorgaans groot en tegen hoofdstam gebouwd, op de helft tot tweederde van de totale hoogte (nesten in kroon zelf of op zijtak verder weg van hoofdstam doorgaans van Buizerd). Oude nesten worden opgehoogd en nieuwe nesten zijn half april voltooid. Bewoonde nesten herkenbaar aan verse takken (oplichtend breukvlak, doorzicht door nestrand), ruiveren in omgeving en pluisjes op nestrand (tijdens bebroeding sterk toenemend, veel opvallender dan bij andere roofvogels); broedende vogel meestal niet zichtbaar (drukt zich in nestkom), van nest vertrekkende vogel vliegt rechtlijnig weg, in tegenstelling tot Buizerd die zich eerst laat vallen). Grote nestjongen vanaf de grond vaak zichtbaar, blijven 5-8 weken na uitvliegen in omgeving van het nest en bedelen veelvuldig met gierende en huilende geluiden, vooral in eerste weken (vaak ook onderlinge conflicten om als eerste bij prooi te komen). Kring van witte poepspetters, braakballen en prooiresten onder nestboom wijst op grote jongen.

Territorium- en nestindicerende waarnemingen
- roep: al vanaf nawinter veelvuldig kekkeren bij nestplaats, in tweede helft maart vaak vlakbij nest. Geluid over vele honderden meters te horen (pas op voor imiterende Gaai, kan perfect geluid nadoen maar let op bijgeluiden)! Minder gehoorde geluiden, maar evenzeer nestindicerend: kort 'kek' en langgerekte bedelhuil (lijkt op dat van uitgevlogen jong).
- baltsende paren bij mooi weer in februari-maart; stuiterende vlucht of vertraagde vlucht met opgezette witte onderstaart ('vlaggen'); kan echter tot op 1 km van nest plaatsvinden
- copulatie (frequent vanaf half februari tot start eileg), op of vlakbij nest met luid sjirpend geroep.
- prooiaanvoer; vrouwtje wordt door mannetje gevoed tijdens eileg. Gaat gepaard met hardnekkige 'kek' roepen van mannetje.
- concentraties ruiveren, prooiresten in omgeving van nest
- alarm; vaak fel reagerend bij nest op mensen, kraaien en andere roofvogels

LET OP: groot activiteitsgebied, waarbij ook gebieden van buurparen worden doorkruist. Door vervolging kan tijdens broedseizoen wiseling van partner optreden. Jagende vogel zegt niets over de aanwezigheid van een nest of territorium.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel naar nest, alarm, afvliegende ouder, jongen op nest) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 1 februari t/m 15 juli

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

Paren kunnen verschillende nesten bijhouden, soms op vrij grote afstand van elkaar. Bij de meeste nesten is goed te zien of ze bewoond zijn, blijf twijfelgevallen controleren tot in juni (ook kans op een Wespendief!).

Broedbiologie

Broedt in bosgebieden, maar in toenemende mate ook in opener landschap (houtwallen, ruilverkavelingsbosjes, eendenkooien) en stedelijk gebied (grote parken). Eileg van half maart tot eind april. Eén broedsel per jaar, meestal 2-4 eieren, broedduur 37-39 dagen, nestjongenperiode rond 44 dagen, uitgevlogen jongen bedelen nog 4-6 weken.

Literatuur

Bijlsma R.G. 1997. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV uitgeverij, Utrecht.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Eind februari tot eind juli. Legpiek van eind maart tot eind april. Eén broedsel per jaar.

Nesthabitat

Overwegend in bossen groter dan enkele tientallen hectares. Onder gunstige omstandigheden (rust, voedselrijke omgeving) ook wel in kleinere bosjes in (half)open landschap, bijv. landgoederen, ruilverkavelingsbosjes, eendenkooien, soms zelfs houtwallen. Broeden in parkachtig stedelijk gebied in Nederland nog vrij beperkt.

Nest

Omvangrijk bouwsel dat vaak jarenlang wordt bijgewerkt. Positie doorgaans halverwege tot een derde onder de top, tegen de hoofdstam aan (grote roofvogelnesten in kruin en op zijtakken weg van de hoofdstam meestal van Buizerd). Nieuwe nesten (start in nawinter, soms in maart) kleiner. Nestbouw door beide partners.

Aanwijzingen

Lokalisatie nestplaats door in kaart brengen van oude nesten (winter) in combinatie met territoriaal gedrag in februari en maart, vaak boven maar soms op 1 km van nestplaats: stuiterende vlucht, vertraagde vleugelslag met spreiden van witte onderstaartdekveren (‘vlaggen’; vooral vrouwtje). Opvallende gedragingen bij nest, voorafgaand aan eileg, zijn kekkeren (vrouwtje, vooral in maart en in vroege ochtend; vaak binnen 50 m van nest), frequente copulaties (piekend eind februari, in de drie weken voorafgaand aan eileg en tijdens eileg zelf; hard sjirpend geluid) en bedelhuil (langgerekte klaaglijke roep, veelal vanaf nest). Tijdens ei- en vroege jongenfase geeft mannetje bij arriveren met prooi een enkelvoudige “kek”, soms met tussenpozen herhaald Bezet nest kenbaar aan nestrand (opgehoogd met verse takken – let op breukvlak – en soms groene twijgen; relatief veel donsjes, meer dan bij Buizerd), alarm (individueel echter sterk verschillend) en van nest afvliegende vogel (nogal rechtlijnige rommelige vlucht, anders dan Buizerd die zich eerst laat vallen). Rond bezet nest liggen concentraties ruiveren in nestomgeving, bij vaste zitplekken en waar prooi wordt overgedragen. Indien nestjongen aanwezig ontstaat uitdijende kring van uitwerpselen (wit urinezuur), groter wordend naarmate jongen ouder zijn (bij takkelingen ook op zijtakken ter hoogte van nest). Takkelingen verliezen dons dat zich vastzet op takken rond het nest. Uitgevlogen jongen in eerste weken in directe omgeving nest en zeer luidruchtig, vooral tijdens prooiaanvoer.

Attentie

Boom met (vermoedelijk) grote jongen op nest niet beklimmen in verband met kans op afspringen van de jongen. Let bij nest met jongen (veel poepsporen) op hoeveelheid dons op en direct rond nest: hoe meer donsjes, hoe ouder de jongen. Wees ook in geval van braakballen onder het nest beducht op grote jongen. Takkelingen soms lastig zichtbaar vanaf grond. Bij mislukte nesten attent zijn op sporen van vervolging (boom beklommen of omgezaagd, hagelsporen in en rond nest enzovoort).

Bijzonderheden

Hoeveelheid dons op nest neemt sterk toe tijdens broedfase (maar houd rekening met wind en regen, waardoor dons minder goed zichtbaar is). In nesten met veel dons hebben ongetwijfeld eieren gelegen (ook als die bij controle ontbreken). Verzamelen van ruipennen behulpzaam bij identificeren en op leeftijd brengen van broedvogels, maar attent zijn op aanwezigheid van niet-broedende (niet-territoriale) vogels (verliezen ruipennen) en ruischema (niet alle veren jaarlijks geruid, gevonden ruiveren kunnen twee generaties veren beslaan).

Meer informatie

Uitgebreide aanwijzingen in Bijlsma R.G. 1997. Handleiding veldonderzoek Roofvogels. KNNV/Vogelbescherming Nederland/Werkgroep Roofvogels Nederland, Utrecht/Zeist/Appelscha.

Broedtijd

Haviken broeden in alle bosrijke streken en niet zelden ook in kleinere, geïsoleerde bosjes in boerenland, soms zelfs in grote stadsparken. Rond 1970 was de soort een zeldzame broedvogel, met hooguit 100 broedparen uitsluitend op de hoge zandgronden. De stand was toen op een dieptepunt, vooral een gevolg van pesticidengebruik in de landbouw (indirecte vergiftiging via voedsel). Het verbod op de schadelijke bestrijdingsmiddelen werd gevolgd door populatieherstel, dat ook werd bevorderd door toegenomen ouderdom van het Nederlandse bos en een afgenomen vervolging. Sinds ongeveer 1995 nemen aantallen en verspreiding in West- en Noord-Nederland nog toe. Op de hoge zandgronden, daarentegen, nemen ze af. Haviken kampen daar al jarenlang met slechte broedresultaten, mogelijk als gevolg van voedselproblemen en lokaal ook opnieuw opgelaaide vervolging.

Buiten broedtijd

De Nederlandse Haviken blijven in de omgeving van hun broedplaats, al zwerven jonge vogels over grotere afstanden dan volwassen dieren. Jagende of overvliegende vogels worden overal gezien, tot in stedelijk gebied aan toe. Ook noordelijker broedende Haviken trekken amper weg. Gerichte doortrek vindt dus niet of nauwelijks plaats.