Slobeend

Wetenschappelijke naam

Anas clypeata

Engelse naam

Northern Shoveler

Rode Lijst

Kwetsbaar

Ramsar 1%

550

Broedpopulatie

8000-9000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

21000-32000, okt-nov (2009-2014)

Slobeend

Anas clypeata

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin april t/m juli

Datumgrenzen

20 april t/m 30 juni

Tijd van de dag

Gehele dag, vooral van enkele uren na zonsopkomst tot in de middag.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen in broedbiotoop, met nadruk op individu (waakzaam mannetje bij potentiële nestplaats) of paar (mannetje begeleidt vrouwtje tijdens voedselzoeken, vooral 's avonds goed waarneembaar), territoriaal gedrag (agressie ten opzichte van andere paren, ook achtervolgingsvluchten in drietallen: twee mannetjes, één vrouwtje) en aanwijzingen voor nest: alarm, afleidingsgedrag, wijfje met kleine jongen. Wijfje dat wegzwemt/wegvliegt en later terugkeert naar zelfde deelgebied is uiterst verdacht.
LET OP: Mannetje blijft tijdens eifase bij vrouwtje maar vertrekt rond het tijdstip dat de eieren uitkomen. Wijfje met kleine jongen kan al forse afstand hebben afgelegd.
Doortrek tot in mei. Doortrekkers (en later ook: mislukte broedvogels en verzamelingen van mannetjes) houden zich op in groepen maar vertonen geen duidelijke binding aan (delen van) het gebied.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (broedende vogel, fel alarm, pas uitgekomen kuikens) telt altijd.

In geval van adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 20 april t/m 30 juni en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

1000 m

Bijzonderheden

Broedt in open en waterrijke landschappen, vooral graslandgebieden en moerassen. Eileg van begin april tot eind juni, vooral in mei. Eén broedsel per jaar, meestal 8-12 eieren, broedduur 21-25 dagen, jongen (nestvlieders) met 40-45 dagen vliegvlug.

Intro

Hieronder worden aanwijzingen gegeven om nesten te vinden en hun lotgevallen te volgen. Ze zijn uitsluitend bedoeld voor onderzoek in het kader van het Nestkaartenproject of verwante projecten. Belangrijk: ga niet zelf op pad (nesten zoeken is verboden), maar meld je aan bij Sovon (nestkaart@sovon.nl). Voor het nestonderzoek is namelijk een speciaal registratiebewijs nodig, waarmee je geen ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet nodig hebt. Voor beschermde soorten in voor het aangewezen Natura 2000-gebieden heb je daarnaast een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet nodig om de nesten te mogen bezoeken. Nesten zoeken zonder registratiebewijs en/of vergunning is illegaal, los van de zelf te regelen toestemming van de terreineigenaar. De onderzoeker wordt geacht zich volledig te houden aan de aanwijzingen in de projecthandleiding (De nestkaart, hoe, wat, waarom). www.sovon.nl/nl/content/nestkaarten

Tijd van het jaar

Van begin april tot ver in juni. Legpiek half april tot eind mei. Eén broedsel per jaar.

Nesthabitat

Vochtige tot natte graslanden, oevers van ondiepe (vaak kleine) zoetwaterplassen, natte heide- en veengebieden.

Nest

Grondnest, meestal op droge plek op enkele tientallen meters van water. Zowel relatief open gelegen (in vergelijking met andere eenden) als goed verborgen (onder graspol, in hogere vegetatie, open plekjes in riet of heide, in biezenpollen aan waterkant). Nestbouw door vrouwtje. Uitbundig voorzien van dons (donkerbruin tot grijsbruin met lichter centrum) en buikveertjes (bijna wit met in midden donker rondje). Eieren worden bedekt met dons bij verlaten van het nest.

Aanwijzingen

Sterke paarband waarbij mannetje bij vrouwtje blijft gedurende bebroeding (ongewoon voor eenden); solitaire man op water bij geschikte nesthabitat kan duiden op nest. Broedend vrouwtje soms zichtbaar bij met kijker afzoeken van de omgeving (grasland), meestal echter niet. Let op foeragerend paartje waarvan vrouwtje terugkeert naar nest (na vluchtje).

Attentie

Oppassen met kwetsbare vegetaties (en lastig zichtbare nesten) in moerassige terreinen. Als eieren niet met dons bedekt zijn (vrouwtje in paniek vertrokken), dit alsnog doen.

Bijzonderheden

Touw slepen met verschillende personen kan geschikte methode zijn in grasland of moeras: vrouwtje vliegt vaak op korte afstand op (soms echter op 20 meter).

Meer informatie

Tijd van het jaar

Half juli tot in mei, hoogste aantallen augustus-oktober en maart-april.

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken (plas-dras)
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken

Bijzonderheden

- Meestal in paren of groepen tot enkele tientallen, lokaal veel meer
- Vaak samen met andere eenden, zowel tijdens foerageren (zwemeenden) als rusten (alle soorten)
- Foerageert vooral in ondiepe wateren, natte graslanden en in grote moerasgebieden
- Rustende vogels op open water of (deels) langs oevers
- Vogels in begroeiing lastig te tellen
- Ruiconcentraties half mei tot in augustus

Broedtijd

De Slobeend is een karakteristieke broedvogel van vochtige graslanden in het lage deel van het land inclusief het rivierengebied. De hoogste dichtheden zijn te vinden in de veenweidegebieden. Op de hoge gronden is hij veel schaarser. Lange tijd leek de Slobeend zich goed te kunnen handhaven in het Nederlandse landschap, enige afname in bijvoorbeeld de duinen (door verdroging) ten spijt. Sinds ongeveer 1990 nemen de landelijke aantallen echter af en is deze eend vooral op de hoge gronden op veel plaatsen verdwenen. De afname zal op zijn minst deels een gevolg zijn van verlaging van waterpeilen en andere veranderingen in het steeds intensiever gebruikte boerenland.

Buiten broedtijd

Hoewel het hele jaar in ons land te zien, is de Slobeend van augustus tot november en in maart-april veel talrijker dan in de overige maanden. In de nazomer bevinden zich ruiconcentraties tot duizenden vogels in de Oostvaardersplassen en delen van het Deltagebied. De verspreiding in het voorjaar is veel gelijkmatiger, in het bijzonder na overstromingen langs de rivieren. De winteraantallen schommelen sterk en zijn het laagst tijdens strenge vorst. Van een duidelijke trend in de buiten de broedtijd getelde aantallen is geen sprake.