Appelvink

Wetenschappelijke naam

Coccothraustes coccothraustes

Engelse naam

Hawfinch

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

8000-10.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

vrij groot aantal

Appelvink

Coccothraustes coccothraustes

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half februari t/m eind juni

Datumgrenzen

15 maart t/m 20 juni

Tijd van de dag

Vooral in de ochtend.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen van vogels in broedbiotoop (bos, regionaal ook parken en tuinen) noteren, met speciale aandacht voor zittende vogels (paren of kleine groepjes, meestal hoog in bomen, vaak in alerte tweetallen), zang (zacht, onopvallend), alarm (ook snavelklappen) en nestbouw.
Zeer lastige soort! Kennis van roepgeluiden essentieel; vooral scherp tikkend 'ptik' en contactroep hoog en gerekt 'siee', ook in vlucht. Verreweg het best te karteren eind maart en in april; wanneer bladerdek gesloten is bijna niet meer te zien en te tellen (en bovendien bijzonder stil). Soort is niet-territoriaal (mannetje schermt vrouwtje af tegen seksegenoten maar verdedigt geen territorium) en broedt soms in losse clusters tot een tiental paren bijeen (vogels aan begin broedseizoen soms groepsgewijs in boomtoppen, daarna uiteenvallend in paren die in omgeving broeden).
LET OP: Hoog overvliegende vogels niet bruikbaar (voedselvluchten tot 2-3 km van nest), tenzij locatie van invallen precies te traceren is. Laag (door bos) vliegende vogel in mei en juni kan interessant zijn: mannetje voert (bedelroepend!) vrouwtje tijdens broeden, beide partners voeren nestjongen.
Vogels tijdens broeden extreem stil. Vocale opleving na uitvliegen van jongen (drukke luidruchtige bedelroepjes), maar familiegroepjes kunnen zich snel over flinke afstand verplaatsen (let op lengte staart van jongen). Jongen op leeftijd van 16-19 dagen volledig vliegvlug.
Wintergroepen tot begin maart. Ga bij clusters uit van de waarnemingen na half maart. Enige doortrek mogelijk tot diep in april.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
bij 1-12 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 15 maart t/m 20 juni
bij 13+ geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 15 maart t/m 20 juni

Fusieafstand

300 m

Bijzonderheden

Stand kan jaarlijks sterk fluctueren, met name in gemengd bos en naaldbos (afhankelijk van zaadzetting). In goede jaren clusters van broedparen rond gunstig biotoop. Interpretatie groepjes in boomtoppen aan begin van broedseizoen vaak lastig (paarvorming, soms overschot aan mannetjes, veel achtervolgingen). Vaak zit er niets anders op dan hoogste aantal door twee te delen en te koppelen aan vervolgwaarnemingen in directe omgeving. Houdt ermee rekening dat zulke vogels soms dicht bijeen broeden (verschillende paren per hectare) maar zich ook binnen een gebied met een straal van enkele honderden meters tot 1 km kunnen vestigen.
Beginnend nest kan in het nog bladerloze bos vrij opvallend zijn: slordig komvormig nest op duivenplatformpje, veelal hoog in boom (soms echter nog geen 2 m in struik) in vork van tak (of oksel van zijtak tegen stam), oudervogels soms 'onbekommerd' doorbouwend ondanks waarnemer.

Broedbiologie

Vooral in rijk loofbos en gemengd bos, meer regionaal (en vaak tijdelijk) ook in naaldbos. Nestelt in bomen, minder vaak in struiken, doorgaans op een hoogte van 5 m of hoger maar soms vanaf 1,5 m. Eileg van half april tot begin juni, soms tot begin juli. Eén broedsel per jaar, meestal 3-6 eieren, broedduur 11-13 dagen, nestjongenperiode 11-13 dagen, jongen daarna nog maximaal twee weken in omgeving nestplaats.

Broedtijd

De verspreiding van Appelvinken valt grotendeels samen met die van de grotere bossen, met uitzondering van Noord-Brabant waar de soort relatief schaars is. De hoogste dichtheden worden gehaald in gevarieerd oud loofbos of gemengd bos, zoals in Twente, de Achterhoek en delen van de Veluwe en Limburg. De verspreiding werd sinds ongeveer 1975 veel ruimer, zowel op de hoge gronden als (mondjesmaat) in Laag-Nederland. Flevoland kende tijdelijk zelfs de misschien wel hoogste dichtheden van ons land. De landelijke aantallen zijn gegroeid tot ongeveer 1995 en daarna stabieler. In sommige lang bezette kerngebieden namen de aantallen echter af.

Buiten broedtijd

Nederlandse Appelvinken overwinteren in eigen land of trekken weg in zuidelijke richting. De doortrek van oostelijker vogels kan in sommige najaren aanzienlijk zijn, vooral in het zuidoosten van het land. De doortrek begint half september, is het sterkst tussen eind september en half oktober, en dooft in november uit. In de winter concentreren veel Appelvinken zich in beweeglijke groepen op voedselrijke plekken, niet zelden binnen stedelijke bebouwing. De voorjaarstrek vindt plaats tussen half februari en half april.