Brandgans

Wetenschappelijke naam

Branta leucopsis

Engelse naam

Barnacle Goose

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

10000

Broedpopulatie

8900-25.500 (2012)

Geschat maximum winter/doortrek

660000-860000, feb (2009-2014)

Brandgans

Branta leucopsis

Methode

Territoriumkartering, evt. Nestentelling.

Tijd van het jaar

Begin april t/m eind juli

Datumgrenzen

15 april t/m 30 juni

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Paren of broedverdachte individuen in broedbiotoop (doorgaans voor grondpredatoren moeilijk bereikbare eilanden, schiereilanden, stuweilanden; in de Delta ook al dan niet voormalige schorren); let op territoriaal of nestindicerend gedrag, vooral wakende, baltsende en alarmerende individuen/paren op en boven broedplaats, nest met broedende vogel.
Bij concentraties (eilandjes e.d.) is het soms mogelijk om nesten te tellen. Tel alle bezette nesten (met broedende of wakende vogel of eieren; nesten zijn goed te onderscheiden van bijv. Canadese Gans door compacte vorm en schone koelwitte eieren). Gave maar lege nesten (intacte droge donslaag) meetellen (eileg vindt spoedig plaats), beschadigde of oude lege nesten niet meetellen (ingezakte of natte donslaag, nest scheef; nest is mislukt en wellicht gevolgd door nieuwe broedpoging).
LET OP: Paren met (kleine) jongen kunnen kilometers hebben afgelegd en vormen geen bewijs van broeden ter plaatse. Overzomerende vogels zonder broedgedrag (verzwakte of gewonde trekkers?) niet meetellen.

Interpretatie

Hoogste aantal nesten of alarmerende paren aanhouden. In niet te betreden kolonies hoogste aantal volwassen individuen aanhouden (delen door 1,5). In overige gevallen (paar in broedbiotoop, territoriaal gedrag) 1 waarneming tussen 15 april-30 juni en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode.

Fusieafstand

2500 m

Documentatie

Kruisingen met andere soorten komen voor, o.a. met Canadese Gans, Indische Gans en Ross' Gans. Zinvol om te noteren en te vermelden.

Bijzonderheden

Broedbiologie

Nestelt veelal koloniegewijs (minder vaak solitair) op de grond op eilandjes, in rietzomen; vaak in nabijheid van water (evt. in aanspoelselzone), soms ver van open water in moerasbos. Eileg half april tot in mei. Eén broedsel per jaar, meestal 4-5 eieren, broedduur 24-25 dagen, jongen na 40-45 dagen vliegvlug.

Tijd van het jaar

Hele jaar, maar vooral half september tot half mei, hoogste aantallen oktober-maart.

Tijd van de dag

Van 1 uur na zonsopgang tot 1 uur voor zonsondergang, in getijdengebieden rond hoogwater.

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken; eerste oriëntatie van voedselgebieden vaak mogelijk via bezoek slaapplaats in de ochtend
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken
- Oppassen voor verstoring (niet te dicht naderen, geen lawaai)

Bijzonderheden

- Vaak in grote groepen tot vele duizenden, zelden solitair (en dan veelal aansluitend bij andere ganzen)
- Vaak in zeer dichte, ongemengde groepen (lastig tellen)
- Kleinere groepen vaak gemengd met andere ganzen, vooral Kolgans en Kleine Rietgans
- Foerageert voornamelijk op gras
- Drinkvluchten naar open water
- Maak eventueel onderscheid tussen eerste winter vogels en oudere dieren; eerste winter vogels goed herkenbaar tot en met december
- Overzomeraars tellen in juli of eerste helft augustus, overdag op wateren (tussen 09-18:00 uur)
- Let op kleurringen (zie www.geese.org)

Tijd van het jaar

Oktober-april (Waddengebied mei), hoogste aantallen december-februari.

Tijd van de dag

Avond: van 1 uur voor zonsondergang tot 1,5 uur erna
Ochtend: van 1 uur voor zonsopgang tot 1 uur erna
Beste tellen in ochtend (aankomst ’s avonds vaak nog in donker)

Aanwijzingen

- Slaapplaats lokaliseren door volgen van slaaptrek in avond (richting belangrijk!) of evt. gericht bezoeken van geschikte locaties rond zonsondergang
- Oppassen met voorverzamelplaatsen (vogels verkassen nog)
- Zoek telpunt met goed uitzicht op aan/afvliegende vogels
- Tegenlicht prettig want houdt vogels langer zichtbaar
- Grote slaapplaatsen met meerdere mensen tellen
- Vogels arriveren bij helder weer gemiddeld later dan bij donker weer
- Bij aanvang van telling aanwezige vogels noteren
- Vervolgens aan- of uitvliegende vogels noteren

Bijzonderheden

- Slaapplaats doorgaans groot open water, evt. ver uit de kust
- Op gemengde slaapplaatsen vaak redelijk van de ‘grauwe’ ganzen te onderscheiden (lichte kleuren, formaat, geluid)
- Uitvliegen in de ochtend vaak massaal
- Vertrekt in de namiddag na verstoring vaak vroeg naar de slaapplaats en vertrekt in de ochtend gewoonlijk later dan andere ganzensoorten

Broedtijd

Vanaf 1988 broeden er jaarlijks Brandganzen in ons land, aanvankelijk alleen in het Deltagebied, daarna ook elders. De eerste vogels waren losgelaten of ontsnapt uit collecties, misschien ook achtergebleven zieke of gewonde trekkers. Daarna vestigde zich een snel groeiende populatie (rond 1000 paren in het jaar 2000) met het zwaartepunt nog steeds in het Deltagebied. Het IJsselmeergebied en de Grote Rivieren nemen het leeuwendeel van de overige broedvogels voor hun rekening, maar de verspreiding breidt zich uit als bestaande kolonies hun piek bereiken. Brandganzen nestelen doorgaans kolonieachtig op veilige plekken, vaak eilanden of dammen. De toename bij ons vond plaats in een periode waarin de Brandgans een spectaculaire toename kende in het Oostzeegebied en in Rusland. Ringmeldingen tonen aan dat er uitwisseling bestaat tussen Nederlandse broedvogels en die uit de Duitse Waddenzee, het Oostzeegebied en Rusland.

Buiten broedtijd

De Brandgans is op weg om de Kolgans voorbij te streven als talrijkste in Noordwest-Europa overwinterende gans. Ook in Nederland zijn de aantallen enorm gestegen, met in sommige winters meer dan 800.000 exemplaren, overeenkomend met 80% van de flyway-populatie. De verspreiding bleef tot rond 1990 sterk beperkt tot Friesland en het Wadden-, IJsselmeer- en Deltagebied. Daarna veroverde de Brandgans ook het binnenland. Hier neemt hij, in tegenstelling tot de kustgebieden, ook recent nog toe. Piekaantallen in het binnenland worden doorgaans in de nawinter geteld. Koud winterweer leidt tot enige herverdeling binnen ons land: relatief lage aantallen in Noord-Nederland en relatief hoge aantallen in het zuidelijk deel.