Putter

Wetenschappelijke naam

Carduelis carduelis

Engelse naam

European Goldfinch

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

15.000-20.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

groot aantal

Putter

Carduelis carduelis

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half maart t/m eind juli

Datumgrenzen

1 april t/m 15 juli

Tijd van de dag

Vooral in de ochtend.

Aanwijzingen

Zang (maar zie hieronder) en aanwijzingen voor een nest, vooral nestbouw (alleen door vrouwtje), alarm (vrouwtje met broedsel alarmeert bij gevaar) en bedelroepen van grote jongen (zowel op nest als kort na uitvliegen). Transport van voedsel (mannetje voert broedend vrouwtje, beide partners voeden jongen; voedering vindt plaats vanuit krop) valt weinig op, behalve dan door regelmatige pendelvluchten. Uitwerpselen van grote nestjongen worden niet meer weggebracht en hopen zich op nestrand op.
LET OP: neiging tot vorming van losvaste 'kolonies'. Mannetje schermt vrouwtje af tegen rivalen maar is verder niet erg territoriaal. Doortrek tot in mei, waarbij trekkers soms zingen. Groepjes zijn doorgaans trekkers, solitaire zingende vogel (kan mannetje zijn dat nestbouwend vrouwtje begeleidt) geven duidelijker aanwijzing voor territorium maar pas op voor zingende vogel tijdens foerageren. Voedsel wordt soms op honderden meters van nest gezocht! Let dus op of de vogel zich in broedbiotoop ophoudt (altijd bomen of hoge struiken aanwezig) dan wel in voedselgebied (graag ruderaalveldjes, overhoekjes, schraal grasland). Bedelende uitgevlogen jongen blijven enkele dagen bij nest maar zwerven daarna met ouders rond. Alleen meetellen als ze onbeholpen vliegen en/of korte staartjes hebben.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 1 april t/m 15 juli

In overige gevallen (adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop):
moet er 1 waarneming zijn in de periode 10 mei t/m 15 juli

Fusieafstand

500 m

Bijzonderheden

Lang broedseizoen met soms late vestigingen in juli-augustus. Nesten zijn klein, compact en netjes gebouwd; tijdens broedseizoen moeilijk zichtbaar (vaak bevestigd aan uiterste takken van dichte, veelal hoge boom) maar na het vallen van de bladeren goed zichtbaar (bijv. in stedelijk gebied). Nesten kunnen in optimale gebieden dicht bijeen liggen.

Broedbiologie

Broedt in allerlei halfopen landschappen met bomen en struiken, inclusief stedelijk milieu. Eileg van eind april tot begin augustus. Twee tot drie broedsels per jaar, meestal 4-5 eieren, broedduur 11-13 dagen, nestjongenperiode 13-18 dagen, familie blijft drie weken bijeen.

Broedtijd

Putters zijn het meest algemeen in Laag-Nederland, in stedelijk gebied met groene wijken en boerenland met erf- en wegbeplanting of boomgaarden. Van hieruit hebben ze zich vanaf 1975 spectaculair in oostelijke richting uitgebreid, met name op kleiige gronden. Het is in feite de stroomversnelling van een proces dat al meer dan een halve eeuw bekend is en nog steeds doorzet. Kleine verliezen langs de oostgrens (mogelijk een andere ondersoort) vallen hierbij in het niet.

Buiten broedtijd

De Nederlandse broedvogels lijken deels in eigen land te overwinteren, deels weg te trekken in zuidwestelijke richting. Ze krijgen aanvulling door Putters uit vooral aangrenzende landen. De najaarstrek is het meest opvallend. Hij vindt plaats tussen half september en eind november, met de piek half oktober. De voorjaarstrek duurt van begin maart tot half mei. In trektijd en winter zijn Putters ook te vinden in sommige bossen (vooral lariks en zwarte els) en op voedselrijke plekken (o.a. distels) in open boerenland.