Gaai

Wetenschappelijke naam

Garrulus glandarius

Engelse naam

Eurasian Jay

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

40.000-60.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

groot aantal

Gaai

Garrulus glandarius

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin februari t/m juli

Datumgrenzen

1 april t/m 10 juli

Tijd van de dag

Vooral in de ochtend.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen noteren, met nadruk op roepende vogel (luide schorre roep; indien tweemaal kort na elkaar vaak bedoeld als alarm), paren (maar zie hieronder) en aanwijzingen voor nest: nestbouw, transport van voedsel (in krop, soms zichtbaar bij vliegende vogel; mannetje voert broedend vrouwtje, beide vogels voeren jongen) of ontlastingspakketje.
LET OP: groepsbalts, waarbij kleine groepjes Gaaien luid krijsend door het bos vliegen, is moeilijk te interpreteren. Vogels steken tijdens groepsbalts open gebieden over, kunnen van ver buiten gebied zelf komen en bestaan vermoedelijk deels uit (nog) ongepaarde individuen. Groepen kunnen dus niet worden uitgesplitst in broedparen ter plaatse. Teken bij vliegende individuen of paren de vliegrichting in.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van adult in broedbiotoop, paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 1 april t/m 10 juli

Fusieafstand

500 m

Bijzonderheden

Soort tijdens broeden buitengewoon stiekem. Daarom moeten alle waarnemingen genoteerd worden.

Broedbiologie

Broedt in allerlei bossen, ook wel in kleinschalig cultuurland met struwelen en bomen, en in parken en tuinen in stedelijk gebied. Eileg van half april tot in juni. Eén broedsel per jaar, meestal 4-6 eieren, broedduur 16-21 dagen, nestjongenperiode 19-22 dagen, jongen op leeftijd van 6-8 weken zelfstandig.

Broedtijd

Gaaien zijn het talrijkst in bosrijke gebieden en nestelen graag in dichte opstanden. Ze zijn echter ook volop te vinden in kleinschalig agrarisch cultuurland en in groen dooraderde bebouwing, en ontbreken alleen in de meest boomloze landschappen. Sinds ongeveer 1975 breidde de soort zich uit over grote delen van West- en Noord-Nederland waar hij voordien schaars was of ontbrak. De aanplant van singels en (recreatie)bos speelde de Gaai hier in de kaart, net als de verstedelijking met bijbehorende groenvoorziening. Verminderde jachtdruk vormt regionaal een aanvullende reden. Op de hoge gronden bleven aantallen en verspreiding ongewijzigd.

Buiten broedtijd

De Nederlandse Gaaien zijn standvogel. Ze vallen buiten de broedtijd het meest op in de herfst, wanneer ze soms kilometerlange pendeltochten maken om eikels te zoeken en te verstoppen als wintervoorraad. Periodiek treden invasies op vanuit Oost-, Midden- of Noord-Europa. Zulke invasies kondigen zich doorgaans half september aan en pieken in oktober. De vliegrichting van de zwoegende groepjes Gaaien kan ZW zijn maar ook NW. Grote invasies traden op in 1972, 1983, 1996, 2004 en 2010. De terugtrek na een invasie vindt grotendeels in april plaats maar omvat veel kleinere aantallen.