Klapekster

Wetenschappelijke naam

Lanius excubitor

Engelse naam

Great Grey Shrike

Rode Lijst

Ernstig bedreigd

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

-

Geschat maximum winter/doortrek

zeer klein aantal

Klapekster

Lanius excubitor

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Half maart t/m juni

Datumgrenzen

1 mei t/m 30 juni

Tijd van de dag

Gehele dag, zang vooral 's ochtends.

Aanwijzingen

Alle waarnemingen noteren, met speciale aandacht voor zang (pas op voor wintergasten, zingen ook bij zacht lenteweer), aanwezigheid van (baltsend) paar (vaak samen te zien, terwijl overwinteraars elkaar niet dulden), alarm, nestbouw (relatief vaak door zingende vogel), voedseltransport (vaak onopvallend in lage en snelle vlucht) en uitgevlogen jongen (luidruchtig, in juni op flinke afstand hoorbaar).
Meeste wintergasten half april verdwenen, maar een enkele late trekker tot in mei (soms zingend), vanaf half juni kunnen rondzwervende niet-broedvogels opduiken. Broedvogels na eind maart vaak onopvallend, maar regeren fel op roofvogels en kraaiachtigen. Zich poetsende vogel na half april goed volgen; in vegetatie verdwijnende vogel hoogst verdacht (kan vrouwtje zijn dat nest verlaten heeft en na poetsen onopvallend ernaar terugkeert). Mannetje voert broedend vrouwtje, beide ouders voeren jongen.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moeten er 2 waarnemingen zijn in de periode 1 mei t/m 30 juni

Fusieafstand

500 m

Documentatie

Soort geldt als uitgestorven. Uitgebreide documentatie nodig: per datum de waarneming beschrijven incl. hoogste broedcode.

Bijzonderheden

Nest in april, voordat bladeren aan struiken komen, soms goed zichtbaar. Herkenbaar aan stevige grashalmen en -wortels (geen dikkere takjes) en ronde bouw met afhangende plantendelen; vaak is papier, draad of schapenwol verwerkt. Staart van broedende vogel over nestrand stekend.

Broedbiologie

Broedend in halfopen tot open landschappen met (doorn)struiken en opslag, van randen van hoogveen en heide tot zeer open naaldbos, grote kaalslag/stormvlakte in bos of (in buitenland) kleinschalig cultuurland. Nest doorgaans in dichte struiken (nesthoogte vanaf 1,5 m), solitaire bomen (veelal dennen, in buitenland vaak afgestorven bomen) enz. Eileg begin april tot begin juni, vooral eind april en mei. Eén broedsel per jaar, meestal 3-8 eieren, broedduur 15-18 dagen, nestjongenperiode 19-20 dagen.

Broedtijd

In de eerste helft van de twintigste eeuw werd al geklaagd over achteruitgang van de Klapekster. Desalniettemin nestelden er rond 1950 nog vele tientallen paren op structuurrijke heidevelden en veengebieden in Drenthe, Twente, de Veluwe en zuidoostelijk Noord-Brabant. De aantallen namen echter af naar rond 15 paren omstreeks 1990 en in 1999 vond het laatste zekere broedgeval plaats, op de Noord-Veluwe. De afname werd in eerste instantie veroorzaakt door ontginning van 'woeste gronden', en vervolgens door habitatverslechtering in de resterende broedgebieden. Door verzuring en vermesting nam het prooiaanbod sterk af. Ook in de ons omringende landen werd de Klapekster zeldzaam.

Buiten broedtijd

In de nazomer duiken de eerste Klapeksters op, maar pas vanaf half oktober wordt dit gemeengoed. Een deel trekt verder, enkele honderden overwinteren bij ons in heide- en veengebieden, duinen en wat extensief boerenland met veel kleine landschapselementen. De aantallen overwinteraars namen eind jaren zeventig en in de jaren tachtig af. Dit was een gevolg van een verminderde instroom vanuit het belangrijkste toeleveringsgebied, Zweden. Vanaf de eeuwwisseling herstellen de aantallen zich enigszins, echter met opvallende jaarlijkse schommelingen. De overwinteraars vertrekken in maart of begin april, en in dezelfde trek vindt ook enige doortrek plaats. Zomerwaarnemingen betreffen vrijwel zeker ongepaarde vogels die in geschikt blijven hangen.