Knobbelzwaan

Wetenschappelijke naam

Cygnus olor

Engelse naam

Mute Swan

Rode Lijst

-

Ramsar 1%

2000

Broedpopulatie

5500-6500 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

41000-46000, sep-jan (2009-2014)

Knobbelzwaan

Cygnus olor

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin april t/m eind augustus

Datumgrenzen

20 april t/m 20 juli

Tijd van de dag

Gehele dag.

Aanwijzingen

Paren (synchroon zwemmend), territoriaal gedrag (balts, agressie jegens andere zwanen) en aanwijzingen voor nest: nestbouw, waakzame vogel bij vermoedelijke nestplaats (vaak mannetje), alarm, broedende vogel op nest (meestal eenvoudig te zien, niet echter in dichte hoge moerasvegetatie en in kale gebieden soms in laagte nestelend en daardoor aan zicht onttrokken).
LET OP: Ga uit van het aantal broedende paren, aangevuld met aantal territoriale paren; aandeel niet-broedende paren kan hoog zijn (tot 70%), maar als ze territoriaal zijn worden ze meegeteld. Houd rekening met verplaatsingen over soms honderden meters in verband met vervolglegsels. Paren met kleine jongen kunnen al een forse afstand van de nestplaats hebben afgelegd.
Niet-broedvogels (niet-geslachtrijpe vogels, ruiers, overwinteraars en zwervers) gedragen zich niet territoriaal, houden zich vaak in groepjes op, wisselen vaak van voedselgebied en bezoeken regelmatig plassen in de omgeving.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (broedende vogel, fel alarm, pas uitgekomen kuikens) telt altijd.

In geval van paar in broedbiotoop, zang en/of balts:
moet er 1 waarneming zijn in de periode 20 april t/m 20 juli en in totaal 2 waarnemingen in gehele periode

Fusieafstand

2500 m

Bijzonderheden

Geslachtsrijp in derde levensjaar, maar paren worden veelal een jaar eerder gevormd.

Broedbiologie

Broedt in waterrijke (half)open landschappen, zowel natuurgebieden als agrarisch cultuurland. Eileg van half maart tot eind juni, vooral in april. Eén broedsel per jaar, meestal 5-8 eieren, broedduur 35-38 dagen, jongen (nestvlieders) blijven tot in winter bij ouders.

Tijd van het jaar

Hele jaar, hoogste aantallen november-april.

Tijd van de dag

Gehele dag

Aanwijzingen

- Alle geschikte terreindelen bezoeken
- Alleen vogels met terreinbinding tellen (dus niet hoog overvliegende)
- Min of meer vaste route door terrein, maar alert zijn op nieuw ontstane (tijdelijk) geschikte plekken
- Min of meer gelijke tijdsinspanning bij herhaalde bezoeken

Bijzonderheden

- Vaak in groepen tot vele tientallen of honderden; veel vogels ook in paren of solitair
- Zowel in open veld als op open water en in oeverzone (laatste in toenemende mate in de loop van de winter als broedterritoria worden bezet); tevens in stedelijk gebied, met name in koude winters
- Bij harde wind op open wateren concentrerend langs windstille oevers en dijken
- Opvallende concentraties jonge vogels in grasland of akkergebieden in april-mei
- Ruiconcentraties half juni tot in september
- Maak eventueel onderscheid tussen eerste winter vogels en oudere dieren en let daarbij op onderscheid in kleed van vogels met zwarte (bruine jongen) en vleeskleurige poten (witte jongen).

Broedtijd

De meeste Knobbelzwanen broeden in de laaggelegen delen van het land, vooral in open graslanden met veel sloten in het veenweidegebied. Rond meren en plassen treden soms concentraties op. Veel Knobbelzwanen zijn nazaten van om hun dons gekweekte vogels. De laatste van zulke 'zwanendriften' werden rond 1965 opgedoekt. Losgelaten vogels en hun nazaten vormden een groeiende en zich uitbreidende broedpopulatie. Intensieve vervolging remt deze ontwikkeling regionaal af. De broedpopulatie wordt ook gereguleerd door koude winters die zowel wintersterfte veroorzaken als slechte broedprestaties, door verzwakte conditie van broedvogels.

Buiten broedtijd

Om de vleugelrui veilig door te brengen, zoeken Knobbelzwanen grote open wateren op. Op de Randmeren, in het IJsselmeergebied en Deltagebied ruien in de zomer duizenden exemplaren, waaronder ook vogels uit het westen van Duitsland. In de herfst zoeken grote aantallen de Randmeren op om te profiteren van de gunstige voedselsituatie met veel waterplanten. In het winterhalfjaarzijn veel Knobbelzwanen te vinden in open graslandgebieden in Laag-Nederland. Koud winterweer leidt tot enige verplaatsingen, meestal binnen Nederland maar soms tot in Frankrijk. Tegelijk kan dan een influx van oostelijke vogels optreden. In het late voorjaar vormen zich plaatselijk groepen onvolwassen vogels, die vervolgens in mei-juni naar de ruigebieden vertrekken. De landelijke aantallen namen lange tijd toe in het voetspoor van de toenemende eigen broedpopulatie. Sinds 2000 stabiliseren de aantallen of nemen ze licht af. Hartje winter verblijven er minstens 40.000 Knobbelzwanen in ons land.