Zwarte Mees

Wetenschappelijke naam

Periparus ater

Engelse naam

Coal Tit

Rode Lijst

Gevoelig

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

30.000-40.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

groot aantal

Zwarte Mees

Periparus ater

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin februari t/m eind juni

Datumgrenzen

15 maart t/m 30 juni

Tijd van de dag

Vooral in de ochtend.

Aanwijzingen

Zang (kent diverse varianten) en aanwijzingen voor nest: nestbouw, alarm, transport van voedsel (mannetje voert broedend vrouwtje, beide partners voeren jongen) of uitwerpselpakketje (beide partners).
LET OP: vrouwtjes kunnen zingen, maar doen dat zachter dan mannetjes. In optimale habitats soms hoge dichtheden met onderlinge nestafstanden (Duitse situatie) van 15-25 m. Doortrek (vooral na invasiejaar) tot in april; onduidelijk of zulke trekkers ook in broedbiotoop zingen (wel in stadstuintjes en andere ongeschikte gebieden).

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
bij 1-12 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 15 maart t/m 30 juni
bij 13+ geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 15 maart t/m 30 juni

Fusieafstand

300 m

Bijzonderheden

Broedbiologie

Gebonden aan naaldbos, met voorkeur voor sparren. Nestelt in allerlei holen, van natuurlijke boomholtes tot nestkasten en muizengangen in de grond. Eileg van begin april tot eind mei. Eén tot twee broedsels per jaar, meestal 7-10 eieren, broedduur 13-15 dagen, nestjongenperiode 18-20 dagen, jongen worden nog enige tijd na uitvliegen gevoerd.

Broedtijd

Zwarte Mezen broeden in naaldbossen en zijn het talrijkst bij een hoog aandeel sparrenbos. Het voorkomen buiten de zandgronden van Oost-, Midden- en Zuid-Nederland is verbrokkeld, maar wat ruimer dan bij de eveneens aan naaldhout gebonden Kuifmees. Zwarte Mezen namen in de twintigste eeuw een tijdlang toe in het kielzog van massale aanplant van naaldbomen. Vanaf 1985 vertonen de aantallen een tendens tot afname. De omzetting van naaldhoutaanplant in meer natuurlijker loofbos verklaart deze afname maar ten dele.

Buiten broedtijd

Nederlandse broedvogels zijn standvogel en krijgen in het winterhalfjaar gezelschap van oostelijker vogels. In sommige najaren neemt dat invasieachtige proporties aan en kunnen vogels tot uit Rusland passeren. De najaarstrek vindt plaats in september-oktober, met de doortrekpiek meestal half oktober. Op plekken met stuwing door de zee of grote open wateren kunnen duizenden Zwarte Mezen per dag passeren. Slechts een klein deel van de invasievogels lijkt te blijven overwinteren. Tellingen eind december (PTT) leveren na invasies in ieder geval geen spectaculaire aantallen op. De onopvallende terugtrek vindt tussen half maart en half april plaats.