Matkop

Wetenschappelijke naam

Poecile montanus

Engelse naam

Willow Tit

Rode Lijst

Gevoelig

Ramsar 1%

-

Broedpopulatie

20.000-30.000 (1998-2000)

Geschat maximum winter/doortrek

groot aantal

Matkop

Poecile montanus

Methode

Territoriumkartering

Tijd van het jaar

Begin februari t/m eind juni

Datumgrenzen

1 februari t/m 30 juni

Tijd van de dag

Vooral in de ochtend

Aanwijzingen

Roepende en zingende vogels (diagnostische nasale 'pèèh-pèèh' geluidjes of Fluiter-achtig melancholiek zacht 'pjuu..pjuu'), paartjes (baltsvoedering komt voor) en aanwijzingen voor nest: nestbouw (hakt zelf nest uit in morsige boom of stomp, benut ook wel bestaande holte maar zelden nestkast), transport van voedsel (mannetje voert broedend vrouwtje, beide partners voeren jongen) en ontlastingspakketjes.
LET OP: Kan grote territoria hebben. Uitgevlogen jongen kunnen opduiken vanaf begin juni; juni-waarnemingen zonder voorgaande waarnemingen ter plaatse hoeven dus niet op lokale broedvogels betrekking te hebben.

Interpretatie

Nestindicatieve waarneming (nestbouw, transport voedsel of uitwerpselen, alarm) telt altijd.

In geval van zang en/of balts:
bij 1-12 geldige bezoeken: 1 waarneming in de periode 1 februari t/m 30 juni
bij 13+ geldige bezoeken: 2 waarnemingen waarvan 1 in de periode 1 februari t/m 30 juni

Fusieafstand

500 m

Documentatie

Bij vermeende waarnemingen buiten de reguliere broedgebieden (zie daarvoor SOVON 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels) goed documenteren wat is waargenomen, en vooral waarom het om Matkoppen (en niet Glanskoppen) ging.

Bijzonderheden

Bij zichtwaarneming zonder kenmerkende roep/zang is kans op verwisseling met Glanskop levensgroot (al is Matkop ronder ogende vogel met dikke nek en licht vleugelpaneel). Dit heeft tot beruchte verwisselingsgevallen geleid in o.a. delen van de duinstreek.

Broedbiologie

Nestelt in allerlei bossen en halfopen cultuurland met veel morse bomen en stronken. Eileg van begin april tot half april. Eén broedsel per jaar, meestal 7-9 eieren, broedduur 13-15 dagen, nestjongenperiode 17-20 dagen, uitgevlogen jongen worden nog enige tijd gevoerd.

Broedtijd

Matkoppen broeden vooral op de hoge gronden, zowel in bossen en natuurgebieden als in boerenland met houtwallen of singels. Ze hakken zelf een nesthol en hebben daarvoor zacht hout nodig. Ze zijn dan ook het talrijkst in gebieden met veel berken, wilgen of rotte boomstronken: broekbos, heide met opslag en jonge loofbossen met een open structuur. De landelijke stand is sinds 1985 ongeveer gehalveerd, wat een West-Europees fenomeen lijkt te zijn. In Engeland bleek lokale afname gekoppeld aan verdroging van bossen, iets dat ook in Nederland kan spelen.

Buiten broedtijd

De verspreiding binnen en buiten de broedtijd is bij deze standvogel vrijwel identiek. Voor zover er vogels wat op zwerftocht gaan, lijkt dat vooral in het najaar plaats te vinden.